JOS VAN GENNIP −
11/02/12, 10:13
Vrouwen in Bangladesh staan in de rij voor rijst. FOTO © AP
Er is meer aan de hand dan dat veel mensen elkaar nazeggen dat ontwikkelingshulp niet helpt. Ze voelen zich ook echt steeds meer vervreemd van de politiek.
Ineens is er die zware twijfel over de zin van de hulp, over internationale verplichtingen überhaupt. Dertig jaar geleden gaven we 5 procent van ons bruto nationaal product uit aan onze buitenlandse verantwoordelijkheden, ondanks binnenlandse noden, bezuinigingsrondes, werkloosheid en crisis op de huizenmarkt. In termen van nu zou dat 30 miljard euro zijn. Het is anno 2012 liefst 10 miljard minder.
In 2006 stond nog 58 procent van onze bevolking achter een royaal ontwikkelingsbudget en onze inzet om van de millenniumontwikkelingsdoelen een echt succes te maken. Nu ziet 46 procent in ontwikkelingssamenwerking de eerste kandidaat voor bezuinigingen. Wat is er misgegaan in de relatie Nederland-buitenland?
Die vraag vergt een dubbel antwoord, veel dieper dan het veelgehoorde dat 'de tsunami van het populisme' internationale solidariteit en gevoel van mondiale lotsverbondenheid vermorzelt. Er is allereerst een wijdverbreide scepsis over de resultaten van de ontwikkelingsinspanningen. Kritische boeken daarover kunnen op buitengewoon grote bijval rekenen. Daarbij komt het zwijgen van de sector zelf, het ontbreken van een gezaghebbend tegengeluid. Ooit klaagde een rector van het International Institute of Social Studies dat ze haar wetenschappers niet naar de zaaltjes in ons land kon krijgen om te vertellen wat de hulp deed. "Waarom moet ik de slager om de hoek vertellen wat het nut van hulp is?" sputterden die tegen. Waarop haar trefzeker antwoord was: "Maar die slager betaalt met zijn belasting wel jouw salaris".
Er is nog een oorzaak van de malaise rond ontwikkelingssamenwerking. De polsstok van een positieve publieke opinie kraakt en is volgens sommigen al gebroken. Behalve vanwege de scepsis over hulp ook vanwege de veranderde dimensie van onze onderlinge internationale afhankelijkheid. Het armoedevraagstuk in de armste landen dient verbonden te worden met het groeiend aantal armen in midden-inkomenslanden en zelfs in de rijke wereld. Dat armoedevraagstuk kan niet los worden gezien van die andere uitdagingen van het globaliseringsproces: van milieu- en natuurdegradatie tot migratie, van besmettelijke ziekten tot criminaliteit, van falende staten tot nucleaire proliferatie, van schaarste aan voedsel en energie en klimaatsverandering. Misschien zou de sleutel tot ons economisch herstel kunnen liggen in vergrote koopkracht voor die één tot twee miljard achterblijvers in de wereld.
Maar er is een nog veel diepere en bredere crisis gaande. Met filosoof Govert Buijs zou ik die willen samenvatten onder de noemer 'vervreemding'. Burgers zijn vervreemd van hun grote instellingen, van hun leiders - ook in bedrijven en organisaties, vervreemd vooral van de politiek, zelfs van hun woonomgeving en last but not least is er 'de globaliseringsvervreemding'.
Oud-Rabobank topman Herman Wijffels stelt dat de Nederlandse elite eenzijdig de kosmopolitische kansen vertegenwoordigt tegenover de rest. 'Gewone' burgers worden alleen maar geconfronteerd met de eisen en nadelige effecten die de globalisering meebrengt: zijn werknemers wel concurrentiebestendig genoeg, en kunnen pensioenen wel op peil blijven nu de pensioenpremie wordt verkwist bij mondiale speculatie.
Er is dus een tweesporenbeleid nodig: hervorming van de ontwikkelingssamenwerking en overbrugging van die globaliseringsvervreemding. Daar is uiteindelijk een andere economie, maatschappij en misschien zelfs een andere cultuur voor nodig. Hoe kan bijvoorbeeld in een globaliserende economie arbeid worden beoordeeld op vakmanschap in plaats van op arbeidskosten? Hoe kan een onderneming niet alleen beoordeeld worden op schaal en winstgevendheid, maar op haar maatschappelijke en ecologische functie?
Een vitale lokale samenleving is onmisbaar voor de acceptatie van het globaliseringsproces. Een maatschappij, die binding als ideaal stelt, en niet hyperindividualisering en mobiliteit. En dus ook een cultuur, die globalisering accepteert, maar vanuit een eigen identiteit; die de angst voor het vreemde en de vreemde niet bestrijdt met vijandschap en buitensluiting, maar met dialoog en vertrouwen. Vertrouwen in plaats van contract, controle en afrekenbaarheid. Tegenover een regulerende en controlerende overheid zou een roep moeten klinken tot loslaten en ruimte voor burgerinitiatieven.
Als burgers een eigen handelingsperspectief krijgen bij de aanpak van milieuproblemen en van het mondiale armoedevraagstuk, kiezen ze voor een ander koop- en consumenten- gedrag en zien we een opbloei van particuliere filantropie. En koesteren ze het, terechte, geloof dat bij een bepaalde aanpak ontwikkelingshulp grote resultaten kan boeken.
Dit is verkorte versie van een rede bij lustrum van de NCDO, adviescentrum voor ontwikkelingssamenwerking.
JOS VAN GENNIP | SCHEIDEND VOORZITTER VAN DE NATIONALE COMMISSIE VOOR INTERNATIONALE SAMENWERKING EN DUURZAME ONTWIKKELING