Hans Bouma, theoloog, publicist, bestuurslid Partij voor de Dieren −
17/12/11, 14:30
© anp
opinie
Een meerderheid in de Eerste Kamer heeft geoordeeld dat een verbod op onverdoofd ritueel slachten een inbreuk is op de godsdienstvrijheid.
Speciaal vanuit de orthodoxe joodse gemeenschap is er fel tegen zo'n verbod geprotesteerd. Opperrabbijn van Amsterdam Arje Ralbag gebruikte vooraf grote woorden: "In het verleden hebben jullie de armen voor ons geopend, waren jullie ons bastion en baken. En nu gaat het gordijn dicht, onze geest is gebroken."
Die gemeenschap is ervan overtuigd dat het rituele slachten door een halssnede dieren minder pijn en stress bezorgt dan slachten met verdoving, al is reductie van het dierenleed niet het motief. Het gaat, aldus rabbijn Evers, om een goddelijke opdracht met een sympathiek bijeffect.
Godsdienstvrijheid is geen absolute grootheid. Bijbels gezien is er sprake van afgoderij als iets niet meer ter discussie kan worden gesteld. Terecht stelt de indiener van het initiatiefwetsvoorstel, Marianne Thieme, dat de godsdienstvrijheid eindigt waar het lijden van dieren begint.
Voor het onverdoofde rituele slachten kun je allerlei argumenten aanvoeren - wettische, historische, traditionele, culturele, maar ook religieuze? Als creatie van God heeft het dier een eigen, intrinsieke waarde. Op zichzelf is het executeren van een dier religieus nauwelijks te rechtvaardigen en al helemaal niet wanneer dit ook nog met extra veel lijden gepaard gaat.
"Godsdienst", schreef Albert Schweitzer in 1965, "is gepraktiseerde eerbied voor het leven". Hoeveel liever is mij déze praktijk dan het praktiseren van een geloof dat dieren genadeloos de dood injaagt.