Navi Pillay, Hoge Commissaris voor de Mensenrechten bij de Verenigde Naties −
11/12/11, 09:00
© afp
opinie
Niet markten en investeringen, maar mensenrechten zijn de sleutel tot vooruitgang. De Arabische Lente bewijst het.
Er zijn momenten in de geschiedenis waarop ieder duidelijk moet maken waar hij of zij staat. Ik geloof dat dit één van die momenten is. In het afgelopen jaar hebben gewone mensen in Tunis, Caïro, Madrid en New York, hun stem verheven. Zij willen de mens als middelpunt van economische en politieke systemen. Zij willen de kans krijgen om mee te doen, een waardig leven te leven.
Opmerkelijk genoeg was de vonk die het vuur van de Arabische Lente aanstak, de wanhopige daad van één man die, na herhaaldelijke ontzegging van een waardig bestaan, zichzelf in brand stak. Hij maakte duidelijk dat een leven zonder mensenrechten geen leven is. Maar los van die ene man, hadden in Tunesië, in de regio en daarbuiten, de droge, ontvlambare takken van repressie, armoede en uitsluiting zich al jarenlang opgestapeld.
Veelzeggend is achteraf hoe, op internationaal niveau, financiële instellingen en ontwikkelingsagentschappen in de aanloop naar de Arabische Lente dit niet zagen. In hun analyses was Tunesië 'één van de meest rechtvaardige samenlevingen' en een 'tophervormer'. Het land lag volgens de rapportages "ver vooruit op het vlak van bestuur, efficiëntie, de rechtsstaat, de controle op corruptie en de kwaliteit van regelgeving."
Tegelijkertijd schetsten mensenrechtenwaarnemers van de VN en maatschappelijke organisaties een heel ander beeld van de situatie in landen als Tunesië, veel somberder. Dat was het beeld van uitgesloten en gemarginaliseerde gemeenschappen, vernederingen, het ontbreken van economische en sociale rechten.
We hoorden de termen ongelijkheid, discriminatie, het ontbreken van fatsoenlijke banen, politieke repressie. We vonden censuur, marteling, en het ontbreken van een onafhankelijke rechterlijke macht. Kortom, we hoorden van vrees en gebrek. Maar op een of andere manier had deze kant van de vergelijking weinig invloed.
Daarmee wil ik niet zeggen dat de ontwikkelingsanalyse van die anderen compleet fout was of dat hun gegevens niet klopten. Het probleem was dat de invalshoek van de analyse vaak te beperkt bleek, en ons soms gewoonweg de werkelijkheid vanuit een verkeerde kant deed zien. Klaarblijkelijk was de analyse niet gefixeerd op vrijheid van vrees en gebrek. In plaats daarvan was de analyse te nauw gericht op groei, markten en particuliere investeringen, met relatief weinig aandacht voor gelijkheid, en vrijwel geen oog voor burgerrechten.
In wezen hadden de analisten niet de vragen fout, ze hadden gewoonweg veel van de meest belangrijke vragen nooit gesteld.
Deze 'beleidsbijziendheid' beperkte zich niet tot de Arabische wereld, maar deed zich net zo goed voor in landen in het Noorden en het Zuiden.
Politieke leiders lijken te zijn vergeten dat gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting en eerlijke rechtsbedeling geen goederen zijn die 'te koop' zijn voor enkelen, maar dat het rechten zijn waarop iedereen aanspraak mag maken zonder onderscheid. Economisch beleid of ontwikkeling moet gericht zijn op het bevorderen van de mensenrechten.
Toen de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens op 10 december 1948 werd aangenomen, waarschuwden de opstellers dat het "van het hoogste belang is, dat de rechten van de mens beschermd worden, door de suprematie van het recht, opdat de mens niet gedwongen worde om in een laatste instantie zijn toevlucht te nemen tot opstand tegen tirannie en onderdrukking."
De Verklaring zette uiteen welke rechten nodig zijn voor een waardig leven, vrij van vrees en gebrek, van recht op gezondheidszorg, onderwijs, en behuizing tot recht op politieke participatie en eerlijke rechtsbedeling. De Verklaring zegt dat deze rechten aan iedereen toebehoren, overal, zonder onderscheid.
Vandaag, in de straten van vele steden, eisen mensen dat regeringen en internationale instellingen aan deze belofte voldoen. Het is live te zien op internet en in de sociale media. Regeringen en internationale instellingen zouden dit voorbeeld moeten volgen, en hun beleid drastisch wijzigen.
Mensenrechten moeten onderdeel zijn van economische aangelegenheden en ontwikkelingssamenwerking. Ze moeten de basis zijn van bestuur en de bron van een coherent beleid, gedragen door heel het internationaal systeem. Dit is het mandaat voor het nieuwe millennium. Dat is het gebod van Tunis.