KARTICA VAN DER ZON, ALOYS VAN REST | DEFENCE FOR CHILDREN −
20/04/11, 14:44
© anp
De aandacht voor de Amsterdamse zedenzaak is terecht, maar er zijn ook kanttekeningen bij het debat te plaatsen.
Honderdduizenden ouders hebben in een petitie laten weten verscherpte regelgeving te willen bij de aanpak van seksueel misbruik van kinderen. De advocaat van verdachte Robert M. stelt dat hem waarschijnlijk geen verkrachting ten laste zal worden gelegd, omdat het met geweld seksueel binnendringen bij kinderen niet bewezen kan worden. In reactie hierop hebben bezorgde ouders massaal een petitie opgesteld waarin wordt voorgesteld de wetgeving zo te wijzigen dat penetratie van kleine kinderen altijd als verkrachting wordt behandeld.
De kern van de Amsterdamse zedenzaak is echter niet of verdachte verkrachting ten laste kan worden gelegd. De wet definieert verkrachting als 'een ander met geweld, of onder dreiging van geweld dwingen om handelingen te ondergaan, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam'. Wanneer het om jonge kinderen gaat, is het gebruik van geweld vaak lastig te bewijzen. Om die reden heeft de wetgever een aparte bepaling opgenomen die zich specifiek richt op kinderen jonger dan twaalf jaar. Volgens dit wetsartikel is het seksueel binnendringen van een persoon jonger dan twaalf jaar altijd strafbaar. Voor de strafbaarheid is het helemaal niet relevant of er sprake is geweest van geweld. Ook als er geen geweld aan te pas komt, is seksueel contact tussen het kind en een volwassene een strafbare handeling.
Kortom, ons Wetboek van Strafrecht biedt kinderen die jonger zijn dan twaalf en slachtoffer zijn geworden van seksueel misbruik een verdergaande bescherming voor die situaties waarin geweld niet bewezen kan worden. De huidige wetgeving is aldus goed toegesneden op de problematiek en het zou in feite een stap achteruit zijn als dit soort ernstige vergrijpen als verkrachting zouden worden behandeld. De petitie is, hoe begrijpelijk ook, juridisch gezien niet nodig.
Een tweede kanttekening willen wij plaatsen naar aanleiding van het rapport van de commissie-Gunning. Terecht concluderen de onderzoekers dat wanneer seksueel misbruik van kinderen vermoed wordt, dit zal moeten leiden tot contact met instanties die op dit terrein expertise in huis hebben. In de Amsterdamse zedenzaak hadden twee moeders in 2008 bij de politie een melding gemaakt over seksueel grensoverschrijdend gedrag. In 2009 had een ex-collega van 't Hofnarretje aangifte gedaan bij Meld Misdaad Anoniem.
Op basis hiervan hadden politie en GGD al onderzoek kunnen en moeten doen. Ook destijds waren de nodige protocollen en codes immers al van kracht. Dat politie en GGD geen verwijt te maken valt, omdat zij niet goed geïnformeerd zouden zijn door de directievan 't Hofnarretje, zoals de commissie concludeert, vinden wij dan ook zeer merkwaardig.
Ten derde zijn de aanbevelingen van de commissie-Gunning met name gericht op de procedures en codes in de kinderopvang. De commissie maakt terecht aanbevelingen aan ouders, hulpverleners, zorginstellingen en politie. Maar voor slachtoffers van seksueel misbruik zijn nog altijd niet voldoende hulpverleners beschikbaar die in staat zijn om zorgvuldig vast te stellen welke hulpverlening het kind en de ouders nodig hebben. Ook zijn er nog altijd wachtlijsten voor het bieden van gespecialiseerde zorg. Te vaak worden zaken rond seksueel misbruik van kinderen na melding toch geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Zowel justitie als politie beschikken nauwelijks over gespecialiseerde forensische kennis op het gebied van kindermishandeling en seksueel misbruik.
Seksueel misbruik van kinderen is ontoelaatbaar en het Kinderrechtenverdrag is er duidelijk over. De overheid moet volgens dit verdrag er alles aan doen om seksueel misbruik te voorkomen en te zorgen voor adequate bescherming en hulp. De Nederlandse overheid moet zich dan ook op al deze fronten beter inzetten om deze verplichting uit het kinderrechtenverdrag na te leven.