Roderik van Grieken, Donatello Piras, directeur en hoofdtrainer van het Nederlands Debat Instituut −
04/03/11, 14:31
Elco Brinkman kijkt toe hoe Job Cohen en Machiel de Graaf elkaar de hand schudden na een debat.
© anp
Hoe groot de invloed van televisiedebatten is op het kiesgedrag van burgers valt moeilijk te meten. Maar ze worden door veel mensen bekeken.
Naar het slotdebat van dinsdag keken meer dan 1,7 miljoen mensen. Verkiezingsdebatten Na het achtuurjournaal het best bekeken programma van die dag. spelen dus in ieder geval een wezenlijke rol bij het beeld dat veel mensen van de politiek hebben. Reden genoeg om er zorgvuldig mee om te gaan. Helaas vallen ze nu bij de omroepen vaak onder de categorie 'amusement' in plaats van 'informatie'. Dit is schadelijk voor het beeld dat wij van politici krijgen en daarmee schadelijk voor onze parlementaire democratie.
Wat gaat er fout?
Het amusementsgehalte is het meest zichtbaar bij de rol van het publiek. Als heuse voetbalsupporters gekleed bemannen zij de zaal en laten ze zich, aangemoedigd door campagneteams, horen bij iedere opmerking die gemaakt wordt door hun favoriet dan wel concurrent. Logisch, want het heeft daadwerkelijk invloed op het beeld dat u en ik als kijker naar het debat op tv krijgen van het debat. Zo werd Elco Brinkman tijdens de debatten meerdere keren ronduit uitgelachen. Dit had een verwoestend effect op zijn boodschap en dat zou niet zo mogen zijn.
U hoort zich thuis zelf een oordeel te vormen over het verhaal van een politicus. Bij Amerikaanse en Engelse verkiezingsdebatten moet het aanwezige publiek gedurende het gehele debat dan ook stil zijn. Het gaat om de inhoud van de boodschap net als bij programma's als Nieuwsuur en Pauw en Witteman. Verbied de toeschouwers zich tijdens de uitzending met het debat te bemoeien. Applaus, gejoel en boegeroep zijn leuk voor andere programma's, als 'Dit was het nieuws' of 'De Lama's' maar niet tijdens een verkiezingsdebat.
Ook kennen gespreksleiders zichzelf vaak een te grote en verkeerde rol toe. De ludieke openingsvraag is bijna standaard geworden bij onze verkiezingsdebatten. Waarom? Programmamakers geven aan dat het een leuke opwarmer en binnenkomer is voor het debat. Waarom opent Sacha de Boer het achtuurjournaal dan niet iedere dag met een leuke binnenkomer, om ons vervolgens te informeren over het bloedbad in Libië? Ondenkbaar natuurlijk.
Vaak is de vraag grappiger dan het antwoord - de redactie heeft er lang en goed over nagedacht. Gespreksleiders profileren zich als gevat en scherp, in plaats van de politici die vaak sneuvelen in de opgave snel en ad rem te reageren. Dat is totaal niet functioneel voor het debat. Politici kunnen imagoschade oplopen, nog voor het goed en wel begonnen is.
Nog storender is het feit dat gespreksleiders de neiging hebben mee te gaan debatteren door tijdens het debat kritische vragen te stellen en politici te onderbreken. Hierdoor beïnvloeden ze inhoudelijk het verloop van het debat en dat is niet hun taak.
De politici gaan over de inhoud en stellen scherpe vragen aan elkaar. De gespreksleider is er puur en alleen voor, het proces van het debat te bewaken.
Het mag niet zo zijn dat een gespreksleider, wellicht onbedoeld, de ene partij harder aanpakt dan de andere. Hiermee wordt hij één van de debatterende partijen. Dit is onwenselijk en verwarrend voor de kijker. Nederlandse verkiezingsdebatten zijn al complex genoeg met vaak zes tot acht partijen die deelnemen. Daar is niet nog een negende partij bij nodig die ook nog eens scheidsrechter is. Ook dit is een uitvloeisel van de misvatting bij redacties dat zij zelf inhoudelijk moeten sturen om het leuk en interessant te maken.
Kiezer centraalTot slot een positieve ontwikkeling. Tijdens het laatste NOSdebat werd er een interessant onderdeel toegevoegd. Vragen van de 'gewone Nederlander'. Dit zorgde direct voor een beter debat. Op de eerste plaats omdat hierdoor het vertrekpunt van het debat de kiezer was. En zo hoort dat bij een verkiezingsdebat. Maar het leidde vooral ook tot serieuze en betere antwoorden van de politici.
Er is een groot verschil tussen een vraag gesteld door een gespreksleider of en een politieke opponent en een vraag gesteld door een burger. Vragen van opponenten worden vaak afgewimpeld of met een wedervraag beantwoord, vragen van een gespreksleider worden gebruikt als springplank naar een voorbereidde boodschap. Maar een burger zal altijd serieus te woord worden gestaan.
Daarnaast zal een politicus in zijn beantwoording nooit hinderlijk worden onderbroken door een opponent. Dit tot grote opluchting van de kijker die eindelijk eens wat langere en inhoudelijke antwoorden kreeg op vragen. Hoewel ook bij dit debat de gespreksleiders veel te snel het initiatief van de burger overnamen was dit het beste debat in de reeks en leermoment voor toekomstige debatten: zet de kiezer meer centraal. Daar draait het immers om.
Verkiezingsdebatten zijn een serieuze aangelegenheid. Ze gaan over onze gezamenlijke toekomst. Het is aan politici die over die toekomst gaan om te bepalen of zij humor en amusement onderdeel van het debat willen maken. Redacties en gespreksleiders moeten zich beperken tot het creëren van degelijke en eerlijke randvoorwaarden.