*

 

Lastig kind straffen helpt soms beter

Astrid Boon, orthopedagoge op vier scholen voor voortgezet onderwijs − 19/06/09, 00:00

Kinderen met gedragsproblemen hoeven niet altijd naar specialisten. Ze heten te gauw ’onhanteerbaar’.

Jo Hermann, hoogleraar opvoedkunde zegt in Trouw van vorige week dat 14 procent van de kinderen terecht komt bij de hulpverlening van wie 9 procent ten onrechte. Maar ook scholen zoeken te snel oplossingen voor gedragsproblemen bij hulpverleners.

Rondom de toename van gedragsproblemen op scholen heeft zich een uitgebreide zorgstructuur ontwikkeld. Er zijn nieuwe functies: leerlingbegeleiders, faalangstbegeleiders, zorgcoördinatoren, zorgdocenten, counsellors, et cetera. Ook afdelingsleiders houden zich bezig met leerlingbegeleiding. Daarnaast zijn er op school wekelijks spreekuren van externe gedragsspecialisten: een medewerker van Bureau Jeugdzorg, een schoolarts, een leerplichtambtenaar, een (ortho)pedagoog. Laatstgenoemden vormen samen het ’zorgteam’ waar de school probleemgevallen aanmeldt.

Dat er gedragsspecialisten zijn heeft naast voordelen ook een schaduwkant. Scholen zijn geneigd om leerlingen die ’moeilijk aanspreekbaar’ zijn te gauw als ’onhanteerbaar’ en daarmee als ’gedragsproblematisch’ te beschouwen.

Dit etiket leidt ertoe dat de verantwoordelijkheid voor het bijsturen daarvan bij de professionals wordt gedeponeerd. Die hulpverleners zijn – zoals Jo Hermanns het omschrijft – ’getraind om een probleem over te nemen’ en om probleemleerlingen te exporteren naar een ’extra voorziening’ of een ’speciaal zorgtraject’.

Schoolfunctionarissen gaan bij problematisch gedrag reflexmatig veel praten. Eerst met de leerling en daarna met de ouders. Als vele gesprekken tevergeefs blijken, menen zij dat zij ’alles’ gedaan hebben en dat ’niets’ helpt. In de aanmelding staat dan: ’Ondanks alle gesprekken blijft Rick (14 jaar) maar kletsen; komt dat misschien door de echtscheiding?’ Of: ’Maria (16 jaar) blijft maar spijbelen op de uren dat ze proefwerken heeft; heeft ze faalangst?’ Of ’Jamie (12 jaar) staat ondanks alle gesprekken nog steeds naast zijn stoel met zijn armen te zwaaien; heeft hij misschien ADHD?’

Nog erger is dat deze leerlingen vaak ervaren dat er na hun ’zorgwekkende’ gedrag ’niets’ gebeurt. Ja, na enig doorvragen herinneren ze zich de gesprekken, maar constateren meteen dat die weinig helpen. Pas het moment dat ze straf krijgen vormt voor hen het signaal, dat zij nu echt moeten ophouden met kletsen, spijbelen en druk gedrag. Maar juist op het terrein van effectieve pedagogische bestraffing kampen scholen met een groot onvermogen.

Weinig mensen voelen voor het bestraffen van problematisch gedrag. Liever verdiepen schoolfunctionarissen zich in eventuele achtergronden van dat gedrag, die gezocht worden in persoonlijke eigenschappen van het kind of in de thuissituatie. Zelden onderzoeken scholen een mogelijk verband met eigen inadequaat pedagogisch handelen. Als er ’achterliggende redenen’ zijn voor het probleemgedrag dan hoeft er niet meer gestraft te worden, is de gedachtegang. Dit is een grote misvatting met verstrekkende gevolgen.

Zowel ouders die tot hun schrik te horen krijgen dat hun kind ’gedragsproblematisch’ is, als de hulpverleners krijgen daarmee feitelijk het onvermogen van scholen op hun bordje, namelijk om problematisch gedrag succesvol bij te sturen. Onbewust hiervan geven zowel scholen als hulpverleners van het zorgteam aan ouders het advies om professionele hulp in te schakelen. Dit is voorbarig en ongewenst omdat een kind recht heeft op effectieve straffen vóórdat geconcludeerd wordt dat het een ’gedragsprobleem’ heeft. Want een basisregel in de pedagogie is: ’Het gewone gaat voor het bijzondere’. Eérst moet ’het meest voor de hand liggende’ gedaan worden, door met eenvoudige pedagogische huis- tuin- en keukenmiddelen onwenselijk gedrag te ontmoedigen. Pas als die niet werken is er reden tot zorgmeldingen bij ouders of hulpverleners.

Rick, Maria en Jamie hoefden niet naar externe hulpverlening verwezen te worden. Door een goed doordacht systeem van bestraffen op school, soms in combinatie met beloningen thuis, verminderde het probleemgedrag ogenblikkelijk. Effectieve corrigerende maatregelen op school werken zo ook als ’zeef’, namelijk om écht problematisch gedrag te onderscheiden van andere motieven voor onwenselijk gedrag.

Nodig is dus dat scholen hun schroom overwinnen en voortaan éérst gedrag gaan aanpakken. Daarnaast is het nodig om aan ouders de meest voor de hand liggende opvoedingsadviezen te geven waarvan men van oudsher weet dat die doorgaans werken: al naar gelang het gedrag worden het kind thuis privileges verleend of afgenomen.

Dan zal meer dan de helft van de gedragsproblemen opgelost kunnen worden zónder professionele hulpverlening. De vijf procent die echt hulp nodig heeft komt op minder volle wachtlijsten te staan én de beschikbare professionele tijd en aandacht kan volledig ten goede komen aan deze échte probleemkinderen.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />