De afgelopen weken veel brieven gehad van babyboomers. Boze babyboomers die zich door de krant weggezet voelen als schaamteloze profiteurs.
In die brieven vertellen zij dat ze in hun jonge jaren níet op vakantie konden, dat ze op hun zestiende moesten werken omdat er voor studeren geen geld was, dat ze geen gsm hadden, en maar eens per week vlees. En zij moeten nu in de krant lezen dat ze hun leven lang niet anders hebben gedaan dan profiteren van de stijgende welvaart.
Willem Breedveld constateerde het vorige week al op deze pagina’s: met de beslissing over de AOW heeft het kabinet een generatieconflict gevoed. De tegenstelling tussen de generaties was er natuurlijk al. Maar door de pensioenleeftijd pas over tien jaar te verhogen, en in twee stappen van een jaar, brengt het kabinet een scherpe scheiding aan; wie in 1954 werd geboren, is de laatste die nog op 65-jarige leeftijd met pensioen kan.
Velen hebben ervoor gepleit de pensioenleeftijd geleidelijk te verhogen, in stappen van een maand per jaar. Het resultaat is in 2025 hetzelfde en niemand zal wakker liggen van een maand langer werken. Maar volgens minister van financiën Wouter Bos is dat onuitvoerbaar, zeker voor de fondsen die de aanvullende pensioenen beheren.
Dat de scherpe knik die het kabinet aanbracht de tegenstelling tussen generaties zou voeden, was te voorzien. Maar je staat versteld van de oplaaiende emoties en de harde woorden. Leiders van drie politieke jongerenorganisaties die we onlangs over de kwestie aan het woord lieten, werden in sommige reacties uitgemaakt voor verwende snotneuzen die nog geen hand uit de mouw hebben gestoken.
Jongeren werpen de babyboomers toe dat zij de staatskas hebben leeggeroofd en de generaties na hen met torenhoge schulden hebben opgezadeld. Babyboomers roepen dat de welvaart die jongeren nu hebben, door hén is gecreëerd. En die babyboomers worden vervolgens – op onze site – op de vingers getikt door ’oma van 1931’, want het was háár generatie die na de oorlog de wederopbouw ter hand nam: „Die snotneuzen van babyboomers kwamen pas kijken toen het allemaal klaar was.”
In deze hoogoplopende discussie vermeldt iedereen zijn leeftijd, en verklaart zich daarmee lid van deze of gene generatie. Wat begon als een discussie over grote problemen (de vergrijzing, de toekomstige arbeidstekorten), ontaardt in een gevecht over de vraag wie het meest heeft geprofiteerd van de naoorlogse welvaartsgroei.
De krant verwijten hieraan mee te doen, is in mijn ogen niet terecht. Deze discussie, dit generatieconflict, ís er. Natuurlijk moet de krant er aandacht aan besteden, inclusief de heftige emoties die nu weer naar boven komen na het AOW-besluit. Ik vind het onze journalistieke plicht om daar lucht aan te geven, met redactionele artikelen, ingezonden stukken en brieven, en scherpe columns.
Dat mensen zich persoonlijk aangevallen voelen, kan ik me voorstellen. In dit generatieconflict wordt gegeneraliseerd. En de generalisatie houdt geen rekening met persoonlijke omstandigheden. Maar het debat gaat om de vraag hoe de verschillende generaties zijn omgegaan met onze collectieve welvaart. Annelies Huygen (geboren 2 januari 1955) verwoordde het mooi in haar column deze week. „Een generatie is geslaagd als ze de aarde minstens zo goed achterlaat als ze hem aantrof”, schreef Huygen, om daarop te laten volgen: „Ik vrees dat mijn generatie in dat opzicht fout zit.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.