*

 

De leeftijdcultus is doorgeschoten

Jan Baars, hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek en de Universiteit Tilburg − 24/04/09, 00:00

Leeftijd is eigenlijk een rare indicator van ouderdom. Het geeft veel mensen te vroeg het stempel ’oudere’.

Er leven steeds meer 100-plussers in Nederland. Sinds 1970 is hun aantal vervijfvoudigd en wordt inmiddels een op de tienduizend Nederlanders honderd jaar of ouder. Met deze cijfers loopt Nederland in de pas met de omringende landen, maar liggen we ver achter bij Japan en vooral bij de intrigerende eilandengroep Okinawa waar dit aantal ongeveer vier maal hoger ligt. Uit dergelijke cijfers blijkt dat verouderingsprocessen niet van nature vastliggen maar beïnvloedbaar zijn. Dit zou de aanleiding kunnen zijn voor een belangrijke discussie, want wat staat ons hierbij voor ogen?

Ten eerste loopt het bereiken van hogere leeftijden niet synchroon met een functionele veroudering. Deze veronderstelling schuilt achter de schromelijke overschatting van de betekenis van leeftijden zoals we die regelmatig tegenkomen in berichten over hetgeen, bijvoorbeeld, 55- of 75- plussers nog zouden willen of kunnen.

Uit onderzoek blijkt dat de onderlinge verschillen tussen leeftijdsgenoten groot zijn en er dus geen direct verband bestaat tussen het bereiken van bepaalde leeftijden en verouderingsprocessen, wordt dit verband door de samenleving voortdurend massief aangebracht. Dit vormt een onnodige belasting voor datgene waar ieder op den duur mee te maken krijgt, namelijk het ouder worden: verder je leven leiden nadat je door de samenleving op arbitraire gronden, namelijk op basis van je leeftijd – en meestal veel te vroeg – als ’oudere’ bent bestempeld.

In dat verband kan beter gevraagd worden wat ’goedouder worden inhoudt.

Een dergelijke vraag naar de kwaliteit van leven kan niet kwantitatief, dus ook niet in termen van leeftijd, worden beantwoord: het langste leven is niet per definitie het beste leven.

Het denken in termen van leeftijd en leeftijdscategorieën is diep geworteld; vandaar dat een recent nieuwsbericht over de toename van het aantal honderdjarigen zoveel indruk maakt. Vooral voor degenen die menen dat het leven zo ongeveer afgelopen is wanneer iemand 65, 75 of 80 jaar oud is geworden, moet het een intrigerend bericht zijn geweest: hoe kan er nog iets over zijn van mensen die nog veel ouder zijn? Van mensen die zelfs de ouders van die al zeer hoog bejaarde 80-plussers zouden kunnen zijn?

De in 2005 op 115-jarige leeftijd overleden Hendrikje van Andel maakte met haar helderheid en alertheid grote indruk. Ze had volgens de wetenschappers die haar na haar dood onderzochten de hersenen van een 60-80 jarige.

Maar zo'n vaststelling is natuurlijk gebaseerd op gemiddelden. Dat een man van 65 jaar volgens de huidige prognoses gemiddeld nog 15,4 jaar ’te gaan’ zou hebben betekent bijvoorbeeld dat de een op 65-jarige leeftijd overlijdt, terwijl de ander, een vroegere klasgenoot, bijna 96 jaar oud wordt.

Dergelijke prognoses zijn vooral van belang voor iemand die zich bezighoudt met wat een lang leven gaat kosten, bijvoorbeeld omdat hij pensioenreserves moet beoordelen. Maar dat deze gegevens in bepaalde bureaucratische situaties van belang zijn verklaart niet waarom men er in brede kring grote waarde aan hecht. Waarschijnlijk verklaart de mogelijkheid om leeftijd direct in berekeningen te kunnen invoeren en zo op wetenschappelijke wijze de toekomst en haar kosten te kunnen bezweren, een groot deel van de bedenkelijke populariteit van ’de leeftijd’.

Er is echter een noodlottige verbinding ontstaan tussen de leeftijdgebonden indeling van de levensloop en een eenzijdige nadruk op wat ’jong’ en ’nieuw’ is, een nadruk die zich met name uit in de zorg om de kosten van degenen die niet meer jong en nieuw zijn. Deze verbinding wordt overigens al vroeg in de levensloop merkbaar.

Wie dertig jaar oud is geworden en alsnog wil gaan studeren zal niet meer kunnen rekenen op studiefinanciering; hij of zij is daarvoor inmiddels ’te oud’. Een jaar of tien later valt dezelfde persoon al in de categorie ’oudere werknemer’. Het lijkt een absurditeit – en dat is het ook – , maar het is realiteit voor wie werkloos is geworden.

Deze maatschappelijke veroudering leidt, vergeleken met de biologische of functionele veroudering, een geheel eigen leven. Ze hangt samen met de leeftijdsfolklore. Bij het begin van een persoonsbeschrijving of interview wordt na de naam meestal tussen haakjes de leeftijd vermeld zodat de lezers weten wat voor vlees ze in de kuip hebben. Zodra iemand de ’normale volwassenheid’ heeft verlaten wordt hij beoordeeld vanuit het onpersoonlijke gezichtspunt van het leeftijdsgetal. Hij ’is’ 67, zij ’is’ 82. Wat is dat eigenlijk, een leeftijdsgetal te zijn?

Als we beter voor elkaar en dus ook voor de ouderen zouden gaan zorgen, zullen ze wellicht ook ouder worden. Een overmatige aandacht voor leeftijden versterkt echter de dominantie van financieringsmodellen. Dan wordt de vraag naar goed ouder worden niet meer gesteld – laat staan beantwoord.

Jan Baars schreef ’Het Nieuwe Ouder Worden’. Zie www.janbaars.nl

mailIcon print |