*

 

Geschiedenis is meer dan een stel jaartallen op een rij

Maria Grever, hoogleraar aan het Centrum voor historische cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam − 19/05/09, 14:23

Het Nationaal Historisch Museum kan onmogelijk de exposities inrichten op een rechte tijdbalk

’Bent u nu vóór de chronologie of tégen?”, interrumpeerde Jan Marijnissen vorige week minister Plasterk tijdens de verhitte discussies over het Nationaal Historisch Museum (NHM) in de Tweede Kamer. De twee directeuren van het nieuw te bouwen museum hebben de chronologische canon ruim opgevat en een ontwerp van vijf ’werelden’ bedacht, zoals ’ik en wij’ en ’land en water’. Het zijn een soort themavelden. En aangezien het woord ’thema’ in debatten over geschiedenisonderwijs al jaren in een kwaad daglicht staat, is hun ontwerp met gemengde gevoelens ontvangen. Plasterk liet zich niet van de wijs brengen en reageerde droogjes dat hij zich niet in een primitieve discussie wil laten zuigen. Er zijn volgens hem diverse manieren om chronologie vorm te geven.

De Kamer stemt vandaag over twee moties: één over de locatie van het nieuwe museum, en één over de chronologie. De meeste partijen hameren sterk op ’de’ chronologie. Van SP-Kamerlid Marijnissen hoeven het geen vijftig ’canonvensters’ te zijn, ook de tien tijdvakken van hoogleraar geschiedenis Piet de Rooy zijn prima. Als er maar een ’volgordelijkheid’ in het museum komt en het geen ’postmoderne hutspot’ wordt –tegenwoordig noemen opinieleiders zaken die ze niet interessant vinden al snel ’postmodern’.

Maar in hoeverre is de chronologie bepalend voor hoe het museum er uit komt te zien? Het maken van chronologieën (periodiseren) is een van de kerntaken van historici. Door ontwikkelingen in de tijd te laten zien, krijgen zij greep op het immense verleden. Periodiseren gebeurt in álle wetenschappelijke geschiedwerken, geschiedenislessen en tentoonstellingen. Afhankelijk van het genre en medium wordt dit uitgewerkt in tijdvakken, omslagpunten, breukvlakken, verdiepingen en zijpaden.

Historici maken daarbij een onderscheid tussen diachronische en synchronische benaderingen: tussen het langetermijnperspectief en de uitdieping van één tijdvak. Beide zijn noodzakelijk voor een goed begrip van het verleden.

Historici respecteren de chronologie, maar de strikte tijdsvolgorde is niet bepalend voor de samenhang die zij in een verhaal, geschiedenisles of expositie aanbrengen. Bepalend is ’het perspectief van de historicus die achteraf vooruitziet’, aldus de geschiedtheoreticus Piet Blaas. Anders gezegd: historici kennen de uitkomst van de ontwikkeling en maken op basis van hun perspectief op het verleden een zinvolle samenhang tussen in de tijd uiteenlopende gebeurtenissen. Zo kan de samenhang bij een geschiedenis over de Eerste Wereldoorlog de Frans-Duitse controverse zijn. Je kunt beginnen met het einde in 1918, daarna teruggaan naar de Frans-Duitse oorlog in 1870 en deze als voorgeschiedenis presenteren van het uitbreken van de oorlog in 1914. De combinatie van de jaartallen is niet neutraal maar drukt een visie uit.

Bij een strikte tijdsvolgorde blijven we steken in een inhoudsloos verslag. Als ik vertel aan een kind: De koning stierf en enkele dagen later stierf de koningin, ben ik bezig met een kroniek. Maar als ik vertel: De koning stierf en enkele dagen later stierf de koningin van verdriet, dan is dat het begin van een verhaal.

Uit studies blijkt dat jonge kinderen weinig tijdbesef hebben. Dat moet eerst worden aangeleerd, pas dan kan historisch besef ontstaan. In Nederland zijn het vooral de nationaal christelijke herinneringsmomenten die in het collectieve geheugen worden ingeprent: van Prinsjesdag tot 4 en 5 mei. Die tradities geven een gevoel van cohesie en continuïteit.

De beste plaats om tijdbesef aan te leren is de school. Rond hun 14e jaar is bij jongeren het tijdbesef min of meer volledig aanwezig. Dan begrijpen ze hoe lang geleden de Romeinse limes werd gebouwd en hoeveel jaren later de Reformatie begon.

Het is dus onverstandig om één chronologische indeling te hanteren voor alle leeftijdsgroepen die het Nationaal Historisch Museum gaan bezoeken. Immers: de opdracht van de directeuren is om een museum te maken voor álle Nederlanders: jong en oud, autochtoon en nieuwkomer, hoog en laag opgeleid. Dat is geen eenvoudige opgave. Zij hebben wellicht daarom een breed concept bedacht van vijf werelden die lijken te fungeren als afzonderlijke tijdruimtes met vijf perspectieven op de Nederlandse geschiedenis. Om uiteenlopende groepen te bedienen, is een variatie aan museale presentaties met moderne interactieve technieken vereist. Eén (nostalgische) chronologie volstaat dan niet.

Wat je ook vindt van het Nederlandse concept, het bevat wel degelijk een chronologie –anders is er geen verhaal mogelijk. Alleen bevalt die chronologie niet iedereen. Marijnissen heeft kennelijk een bepáálde chronologie op het oog, vermoedelijk een die hij zelf 45 jaar geleden op de lagere school heeft geleerd.

mailIcon print |