Praten over de Nederlandse belangen in Europa mag. Maar wel op de goede plek: in Den Haag.
Je mag in de campagne voor de Europese verkiezingen best zeggen dat Nederland een eigen agenda moet hebben in Brussel. Dat ontkennen vergroot de angst dat alles al Europees wordt geregeld. De hamvraag is: wie moet die Nederlandse belangen aanscherpen? Dat is niet het Europees parlement, maar de Tweede Kamer in Den Haag.
In de aanloop naar de verkiezingen op 4 juni zijn argumenten als nationaal of Nederlands belang overal te horen. Dat is niet verwonderlijk. De economische crisis maakt dat veel EP-lijsttrekkers gevoelig zijn voor eigenbelang-argumenten, hoe tegenstrijdig dat ook is omdat we onze boterham in Europa verdienen. De scheidende Europarlementariërs van GroenLinks – Buitenweg en Lagendijk – keren zich tegen hét Nederlands belang. Want dat bestaat niet zeggen zij. Wie effectief politiek in Brussel wil bedrijven moet een visie ontwikkelen op het Europese belang, stellen ze (Podium, 7 mei).
Er zijn veel zaken waar het Nederlands belang bijna samenvalt met het Europese belang. Iedereen snapt dat een koers van ’helpt elkaar, koopt Nederlandsche waar’ het paard achter de wagen spant. Nederland kan alleen geen antwoord geven op mondiale milieu- en duurzaamheidvraagstukken. Dat geldt ook voor internationaal terrorisme of criminaliteit. Anders gezegd: ook voor veiligheid en milieu valt het Europese belang grotendeels samen met het Nederlandse belang.
Maar het is gevaarlijk om te zeggen dat Nederlandse belangen niet bestaan. Natuurlijk bestaan ze. En ook al vallen ze vaak samen met een Europees belang, een eigen Nederlandse invalshoek versterkt de legitimiteit van onze inzet in Europa. Je stelt veel sceptische Nederlanders al gerust door gewoon te erkennen dat Europa niet over alles gaat. Een sterk Nederland dat opkomt voor zijn main- en greenports is ook goed voor een sterk(-er) Europa.
Pogingen om het Nederlands belang aan te scherpen zijn op zichzelf dus legitiem. Maar door erop te hameren dat het Nederlands belang in het Europese Parlement moet worden gediend, lijkt het er op dat velen willen inspelen op populistische sentimenten. Want het Europees Parlement is niet de goede plek daarvoor. De Nederlandse belangen bij de totstandkoming van Europese wetgeving worden primair verdedigd door onze ministers in de Raad van de EU, niet door Europarlementariërs.
Als een Nederlandse minister voor of tegen een voorstel is, brengt hij dit in de EU-Raad tot uitdrukking en legt hierover verantwoording af in de Tweede Kamer. Zo wordt hij voldoende gecontroleerd, want de Tweede Kamerleden hebben een mandaat van de kiezer om het EU-regeringsbeleid te beoordelen. Dat de Kamer dat onvoldoende doet, anders dan bijvoorbeeld het Deense parlement, is een ander verhaal. Een politiek scherper Europa-debat in de Tweede Kamer is hier de oplossing: alleen zo creëer je draagvlak en daarmee de legitimering waar velen om vragen.
De Nederlandse Europarlementariërs worden daarentegen onafhankelijk van de nationale regering gekozen en stemmen in de grote (en kleine) Europese fracties en niet langs nationale lijnen. Zo stemmen de Haagse coalitiepartijen zelden hetzelfde in Brussel als in Den Haag. De Europarlementariërs vertegenwoordigen samen de bijna 500 miljoen Europese burgers en dienen voorop het gemeenschappelijke EU-belang.
De machtsvraag in Brussel is dan ook van een geheel andere orde dan in Den Haag. In het Europese Parlement vechten de grote en de kleine politieke fracties om voor hun standpunten een meerderheid te vinden. Met als doel herkenbaar te blijven voor hun achterban, dan wel om juist de dominantie van sommige grote lidstaten te temperen. Het Europees Parlement is niet gebonden aan coalitie-akkoorden zoals in de Tweede Kamer het geval is. Europese parlementariërs hoeven niet telkens de regeringsverantwoordelijkheid in het achterhoofd te houden.
De Europese verkiezingen zijn geen wedstrijd Nederland-België of Nederland-Bulgarije. Het is een Europa-brede wedstijd tussen verschillende politieke visies op Europa. De winnaars bepalen de politieke richting binnen het Europees Parlement, met de Europese Raad de Europees wetgevende macht. Doen alsof je als Nederlandse Europarlementariër in Brussel een Nederlands belang kunt dienen, is misschien voer voor populisten, maar je verliest al snel invloed als je alles alleen door de nationale bril wilt zien.
Zo bezien hebben zowel het Europees als het nationale parlement een eigenstandige en parallelle plaats in het Europese wetgevingsproces en vullen zij elkaar aan: zij brengen nationale en supranationale belangen met elkaar in evenwicht. Praten over de Nederlandse belangen bij de ontwerpwetten van de Europese Commissie, mag – wat heet, móet. Maar wel op de goede plek: in Den Haag.
De Nederlandse kiezer stemt straks op 4 juni voor de wetgevende macht in Brussel, niet voor de uitvoerende macht in Den Haag. Daar gaat het tenslotte om.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.