*

 

’Fictie en werkelijkheid bespelen elkaar voortdurend’

Peter Henk Steenhuis − 22/09/10, 00:00

Romanschrijvers geven antwoorden op levensvragen. Filosofen ook. „Het gaat om het verschil in benadering”, stelt Ger Groot, die morgen zijn oratie uitspreekt als hoogleraar ’Filosofie en literatuur’. Kunnen de vakgebieden elkaar van dienst zijn?

  • Don Quichot als standbeeld in het Spaanse Ossa de Montiel. De romanfiguur illustreert hoe personages voor ons levende figuren kunnen worden. ( FOTO ANP)

Ze behoren tot het heerlijkste domein van ons geheugen: de helden uit onze jeugdboeken. We weten nog hoe ze heten, hoe ze eruit zagen, of ze sproeten hadden of niet. En of ze vochten, en tegen wie. Ja, natuurlijk, tegen windmolens, samen met een schildknaap op een ezel. Maar wat weten we nog van onze échte vriendjes of vriendinnetjes? Zou het kunnen zijn dat die kompanen uit de literatuur werkelijker zijn dan de dagelijkse werkelijkheid?

Onder de titel ’Vergeten te bestaan; Echte fictie en het fictieve ik’ spreekt Ger Groot, columnist en speler van het Filosofisch Elftal van deze krant, morgen zijn oratie uit als hoogleraar ’Filosofie en literatuur’ aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Wat hebben literatuur en filosofie met elkaar van doen? Kunnen ze elkaar van dienst zijn?

„In romans”, zegt Groot, „worden menselijke problemen gepresenteerd, oplossingen aangedragen. Je zou een roman daarom een laboratorium van ons bestaan kunnen noemen.”

Romanschrijvers geven antwoorden op levensvragen.

„Dat doen filosofen ook, als het goed is. Het gaat om het verschil in benadering. Schrijvers maken gebruik van concrete personages en situaties, filosofen van abstracte termen en theorieën. Die abstracties zijn belangrijk, want zonder hen kunnen we niet denken. Maar ze hebben ook hun beperkingen. Dat maakt de romanliteratuur duidelijk.

„Filosofen proberen met behulp van woorden, begrippen en sluitende argumentaties algemeen geldige theorieën op te stellen, bijvoorbeeld over de politiek. ’Hoe ziet een ideale politieke orde eruit?’ Daarbij valt de filosofie echter gemakkelijk ten prooi aan de verlokkingen van de zuiverheid en de eenduidigheid. Heldere begrippen zijn voor haar een noodzaak, maar in de werkelijkheid is alles veel minder goed afgebakend. Binnen de theorie valt die discrepantie nauwelijks op. Maar als een politicus op basis van dat soort filosofische overwegingen de dagelijkse werkelijkheid wil hervormen, kan hij vervolgens op grote problemen stuiten.”

Zijn prachtige gedachtegang botst met de werkelijkheid.

„Neem de oude communistische gedachte: iedereen presteert naar vermogen en ontvangt naar behoefte. Dat klinkt heel redelijk; daar kun je zelfs een heel systeem op bouwen. Maar uit een roman als ’Leven en Lot’ van Vasali Grossman blijkt dat in de Sovjet-Russische werkelijkheid tot verschrikkingen te leiden. De realiteit blijkt veel weerbarstiger dan het denken hebben wil. Er zit een onverzettelijkheid in waar de theorie maar moeilijk vat op krijgt. Iedereen kent daar wel voorbeelden van. Een bepaald idee lijkt soms heel logisch, maar de realiteit is zo gecompliceerd dat het uiteindelijk het omgekeerde teweegbrengt van wat het nastreefde.”

Waar wordt die weerbarstigheid zichtbaar?

„Een van de filosofen die ik in mijn oratie aanhaal is de schrijver en denker Jean-Paul Sartre (1905-1980), die zijn opstellen gebundeld heeft in een tiendelige reeks onder de titel ’Situaties’. Dat woord drukt uit dat de werkelijkheid waar het om gaat nooit die van de grote, abstracte ideeën is, maar juist van de verwarrende inbedding waarin de zaken vaak heel onhelder blijken te zijn. Je kunt misschien bedenken wat ’rechtvaardigheid’ is, maar in de dagelijkse werkelijkheid bestaat ’de rechtvaardigheid’ niet. Er zijn hooguit handelingen die in een specifieke situatie rechtvaardig zijn en in een andere onrechtvaardig. Romans zijn lang uitgesponnen beschrijvingen van situaties, waarin duidelijk wordt dat de filosofie er nog niet is wanneer ze alleen maar bij haar zuivere begrippen blijft staan.”

We hebben er toch geen romans voor nodig om dat in te zien? Op die situaties stuiten we voortdurend.

„De werkelijkheid zelf is vaak te direct om dat probleem goed te kunnen onderkennen. We moeten er een beetje afstand van nemen om dat onder ogen te zien. Dat gebeurt wanneer dagelijkse voorvallen in de vorm van een verhaal gegoten worden. Dat helpt niet alleen filosofen af van hun fixatie op abstracties, maar helpt ons ook in het dagelijks leven af van al te snelle oordelen. Want laten we niet vergeten dat niet alleen filosofen abstraheren. Dat doet iedereen.

„’Het gaat slecht met Nederland want er zijn te veel buitenlanders.’ Dat is een nogal massieve uitspraak. Maar je kunt hetzelfde onbehagen ook uitdrukken in een verhaal: ’Moet je horen wat mij is overkomen.’ Dat is misschien een waargebeurd verhaal, geen fictie, maar door de vorm laat het toch veel meer subtiliteiten toe dan zo’n massieve uitspraak. Wat er gebeurd is krijgt een gezicht, en gezichten hebben altijd heel veel kanten. Romans zijn er nu juist goed in om die veelduidigheid van de werkelijkheid voortdurend naar voren te halen.”

Heeft de literatuur aan de andere kant ook wat aan de filosofie?

„Wie een verhaal vertelt, in de werkelijkheid of in de romankunst, kan het van zijn kant ook niet stellen zonder abstracties. Die spelen door het hele leven heen, ook al merken we dat niet zo. We laten ons leiden door algemene ideeën: over rechtvaardigheid, over zaken van dood en leven, over God. Romans zijn vaak reflecties op dat soort ideeën. Zo roept de roman ’Nevel’ van de Spaanse schrijver en filosoof Miguel de Unamuno de vraag op wat het begrip ’God’ eigenlijk in ons leven betekent. Om dat te illustreren laat hij zijn hoofdpersoon op bezoek gaan bij de schrijver zelf, bij meneer Unamuno dus, die immers als schrijver zijn ’God’ is.

„In ’Oorlog en vrede’ van Tolstoj gebeurt iets vergelijkbaars. Dat is een boek over de Napoleontische oorlogen, maar er worden ook heel veel theoretische gesprekken in gevoerd over de vraag wat geschiedschrijving eigenlijk is. Daarin wordt niet alleen verslag gedaan van het verleden, maar wordt dat ook in kaart gebracht en gesystematiseerd. De geschiedschrijving is dus zelf ook al een vorm van abstractie. In ’De kartuize van Parma’ van Stendhal wordt dat prachtig geïllustreerd met een soldaat die meevecht in een veldslag. Galopperende paarden, kanonnengebulder en vooral heel veel stof. Het is één grote chaos – en wij zijn dat later de Slag bij Waterloo gaan noemen. Onder die term menen wij te weten wat er gebeurd is. Maar de roman laat zien dat alle werkelijkheid daarin in feite is verdampt.”

Is geschiedschrijving dan ook fictie?

„In zekere zin. Het verleden wordt daarin geordend, zodat wij er vat op krijgen. We denken allemaal te weten wat de Tachtigjarige Oorlog was. En ís. Want ’de Tachtigjarige Oorlog’ is tegelijk een soort wachtwoord geworden dat aan de basis ligt van onze Nederlandse identiteit. De historische werkelijkheid was uiteraard oneindig veel gecompliceerder. Geschiedschrijving schept dus ficties, maar als het goed is laat ze ook zien hoe kunstmatig die begrippen zijn, vooral wanneer ze opnieuw verhalen gaat vertellen. Daarin reikt ze de hand aan de romanliteratuur, die immers ook verhalen vertelt over afzonderlijke mensen. Natuurlijk is de geschiedschrijving veel sterker gebonden aan feiten. Maar ’feiten’ op zich zeggen niet zoveel. Ze krijgen pas betekenis wanneer ze opgenomen worden in een verhaal. Goede historici onderkennen meestal ook wel dat ze het verleden dat ze onderzoeken zelf ook mede vorm geven.”

Wanneer wij spreken over de werkelijkheid, zit daar dus altijd ook een fikse dosis fictie in?

„Ja. En omgekeerd. Dat is de voornaamste vaststelling in mijn oratie. Hoe fictie en werkelijkheid elkaar voortdurend bespelen, zie je in ’Don Quichot’ van Cervantes, een van die romans waarvan de personages voor ons levende figuren geworden zijn. Iedereen kent de ’ridder met het trieste gelaat’ en zijn schildknaap, Sancho Panza.

„In het tweede deel van het boek ontdekken zij dat er over hun eerdere avonturen een boek verschenen is. Dat is wat wij nu kennen als deel één. Maar ook dat er intussen een clandestien tweede deel op de markt is gekomen, geschreven door een zekere Avellaneda. De échte Cervantes was daar heel boos over en daarom zet hij in het tweede deel deze Avellaneda de voet dwars.

„Hij doet dat ín het fictieve vervolgverhaal dat hijzelf schrijft en waarin hij Don Quichot op zijn beurt woedend laat worden over deze oplichterij. Bij Avellaneda vertrekt Don Quichot op een bepaald moment naar een toernooi in Zaragoza. Welnu, in plaats daarvan zal hij naar Barcelona reizen. Zo zal hij, zegt hij, ’de leugen van die nieuwbakken geschiedschrijver openlijk aan de kaak stellen, dan zien de mensen vanzelf dat ik niet de Don Quichot ben die hij beschrijft’.”

Cervantes dwarsboomt zijn rivaal.

„Ja, en daarbij komt werkelijkheid rechtstreeks de fictie van het verhaal binnen, om van daaruit opnieuw de werkelijkheid te bespelen. Want uiteindelijk gaat het bij al deze fictieve reisplannen om een maar al te reële twist van de schrijver met een concurrent en de bescherming van zijn belangen.”

Zo schuiven fictie en werkelijkheid in elkaar.

„Fictie is nooit alleen maar fictie, en werkelijkheid nooit alleen maar ’de realiteit’. Dat is wat de ontmoeting tussen filosofie en literuur duidelijk maakt, als je gaat nadenken over de verschillende manieren waarop zij de wereld verbeelden. Fictie vormt ons, én ons beeld van de werkelijkheid. En zo kan het gebeuren dat personages uit boeken van vroeger ons werkelijker voorkomen dan de echte vriendjes van vroeger. Ze zijn dat in zekere zin ook.

„Romans zijn niet alleen maar morele laboratoria, zoals ik eerder zei. Het feit dat er romans bestaan zegt al heel veel over het soort wezens dat wij zijn. Maar je hebt er de filosofie voor nodig om dat onder woorden te brengen.”

mailIcon print |