*

 

Kerstverhaal / Weg met het rendier

Joost van Velzen − 19/12/05, 14:40

Casper begreep even niet wat hem overkwam. Hij hoorde zachte, doffe klappen alsof er lichte doosjes op de grond vielen, en voelde overal de hoeken van doosjes prikken of duwen. Verbaasd deed hij zijn ogen weer open.

De stomme smoel van een gete-kend rendier keek hem van dichtbij aan, zo’n Hallmark-wenskaarten-smoel. Een beetje sneeuw op het gewei, een paar vrolijkgroene sparren op de achtergrond, verder veel wit. Hij keek naar een kerstkaart die bijna op zijn neus leunde. Ver boven zich zag hij de voorovergebogen hoofden van een paar mensen die zorgelijk naar hem keken. Langzaam realiseerde hij zich dat hij ruggelings op de grond lag in een Bruna-winkel, bedolven onder een meterhoge stapel dozen met kerstkaarten, Happy-Holidaykaarten en Season’s-Greetingskaarten. De vloer voelde koud aan. Kennelijk was hij kort tevoren tegen de uitstaltafel gelopen waarop de dozen met gedrukte de-cembergevoelens stonden opgestapeld, zich opdringerig tegen klanten duwend als straathoertjes op de Filippijnen. Nu waren ze allebei ten val gekomen, de tafellading en hij.

De oppervlakkig-vrolijke Amerikaanse stijl van de meeste kaarten binnen zijn ge-zichtsveld riepen herinneringen wakker aan die ene Kerstmis, die hij in de VS had meegemaakt. Hij was in San Diego toen honderden gezinnen in de koude regen kampeerden op het terrein van een lokale kerk. Het waren mensen die een paar maanden of een jaar eerder dakloos waren geworden. Daarvóór waren het keurige middle-classfamilies met een gezin, twee banen, een huis en twee auto’s. In de na-sleep van de dotcom-crisis hadden man en vrouw hun baan verloren, schulden ge-maakt en waren ze hun huis uitgezet. Nu woonden ze met hun kinderen in die ene overgebleven auto en een tent, van plaats tot plaats opgejaagd, totdat een dominee ze toestemming gaf op zijn terrein te blijven. Het nieuws verspreidde zich als een lo-pend vuurtje, zodat er al snel een tentenkamp ontstond, tot ergernis van de lokale burgemeester en sommige kerkgangers. Het kamp was een vlekje op de wilde koop-drift waar Amerikanen zich in december aan over geven.

Het rendier op de neus van Casper verschoof en er kwam beweging in de stapel do-zen die over hem heen lag. Iemand stak zijn hand uit en vroeg: “Heeft u zich pijn ge-daan?” Hij stond op en keek naar de deels vertrapte en gebutste wenskaarten aan zijn voeten. “Ja, het gaat wel”, zei Casper. Stiekem vertrapte hij nog wat dozen.

Hij zou dit jaar zelf een kerstkaart maken, niet in die plakkerige kleuren, maar in zwarten, grijzen en wit. “Vrede op aarde” zou hij er op zetten. Dat hoorde je nooit meer. Het was nu ‘War on Terror’ wat de klok sloeg. Hij zou er drie koningen op te-kenen die uit het oosten kwamen en hun geschenken aan Christus kwamen brengen. Onder de tekening zou hij in kleine lettertjes zetten: “Alarmfase Rood: De C.I.A. meldt dat drie vermomde Arabieren met verdachte pakketjes op weg zijn naar het Westen.” Dàt zou hij doen.

mailIcon print |