Het is een merkwaardig tafereel. Op de stoep bij een bushalte staat een gezin: vader, moeder, dochter en twee zoons. Ze hebben wat tassen bij zich, alsof ze een dagje naar Schiermonnikoog gaan en nu op de bus wachten.
Maar dit is niet het jaargetijde voor zo’n uitstapje. Bovendien stopt hier pas de volgende morgen weer een bus. Ook hebben hun gezichten bij nadere beschouwing niet de verwachtingsvolle uitdrukking die hoort bij een dagje uit. En wat is dat grote stuk bagage, afgedekt met wat landbouwplastic? Pas van dichtbij is het te zien: een oude vrouw, helemaal ineengedoken, zittend op een tas. Vanuit een loodgrijze hemel valt gestaag de sneeuw, die het schouwspel gaandeweg in een soort stilleven verandert.
“Hé pappa, heb je die poster gezien?” Khislat Agamurodov schrikt op uit een sombere overpeinzing en kijkt zijn dochter Lydia vragend aan. “Daar, aan de overkant, op die muur!” Langzaam ontcijfert hij: “Je land, familie en huis verlaten doe je niet voor Ter Apel. Loesje” De boodschap dringt nauwelijks tot hem door. Zijn dochter merkt het en ze probeert hem de bedoeling uit te leggen. Hij lacht als een boer die kiespijn heeft. “Wie is Loesje?”, vraagt hij. “Een Arnhems meisje, heb ik op school gehoord.” Het wordt Khislat te ingewikkeld. Hij heeft op dit moment wel wat anders aan zijn hoofd.
Vanonder haar plastic omhulsel staart oma Agamurodov de lege Groninger verte in. Haar gedachten zijn ver weg, in een Oezbeekse vallei, lang geleden. Aan de horizon doemt een stofwolk op, waaruit een galopperend paard tevoorschijn komt. Erop zit een jonge man, fier overeind. Hij komt recht op haar afgereden. Haar hart springt op. Het is haar geliefde! Hij komt haar halen.
Een gammel busje stopt pal voor het groepje mensen. Een man - middelbare leeftijd, stoppelbaard, laarzen - stapt uit en loopt op Khislat af. Hij steekt zijn hand uit en zegt: “Eelke Roorda. Familie Agamurov?” “Agamurodov”, verbetert Khislat hem. “Ook goed”, zegt Eelke, en hij vervolgt zijn kennismaking met de overige leden van het gezin. Wanneer hij denkt dat hij iedereen gehad heeft en “Gaan jullie met me mee?” vraagt, roept Lydia: “U vergeet mijn oma. Ze zit daar!” “Je oma? Maar nee toch, die had ik helemaal over het hoofd gezien.” Hij bukt zich om de oude vrouw een hand te geven. Ze glimlacht en kijkt hem met een wazige blik aan.
Even later zijn ze op weg naar Plaggenborg, waar Eelke en zijn vrouw Douwien mishandelde beesten en dolende illegalen opvangen. Oma Agamurodov zit tussen haar schoondochter en haar kleindochter ingeklemd op de tweede zitrij. In haar gedachten zit ze tussen zijn armen, tussen de leidsels. Hij geeft zijn paard de sporen. Haar haar wappert in de wind. Daar gaan ze, als een dansende drie-eenheid op weg naar zijn yurt.
“Wat een mooie kerstboom hebben jullie”, zegt Lydia tegen Eelke als het busje de oprit van huize Nooitgedagt indraait. Op een grasveld voor het huis staat een hoge spar met honderden lichtjes te schitteren. “Vierden jullie in Oezbekistan ook kerstfeest?”, vraagt Eelke. “Nee, maar wel idl fitr en andere feesten”, klinkt het achter zijn rug. “Ach natuurlijk, wat dom van me. Jullie zijn natuurlijk islamieten.” “Geeft niks hoor, ik vind kerst ook een mooi feest.”
Eenmaal in de keuken van de Roorda’s, met z’n allen rond een grote pan met erwtensoep geschaard, ziet de wereld er heel anders uit. “Dit heeft wel iets weg van de yurt”, denkt oma. Ze deelt haar gedachte met Lydia, die naast haar zit. Op gedempte toon begint de oude vrouw haar kleindochter te vertellen over de grote ronde tent, waarin ze als kind opgroeide en waarin ze als jonge vrouw haar eerste kind ter wereld bracht. Ze vertelt over die ronde ruimte, die zo veilig voelde en zoveel bescherming bood, zelfs in de strengste winters. “Het was een soort baarmoeder”, zo besluit ze haar verhaal. “Baarmoeder.” Lydia proeft het woord in haar gedachten. Het heeft iets vreemds en iets vertrouwds.
Douwien Roorda hoorde de oude vrouw met haar kleindochter spreken, al verstond ze niet wat ze zei. Nu ziet ze het meisje in gedachten verzonken. “Waar denk je aan?” “Oh eh‿” Lydia bloost, maar zegt dan: “Aan het woord ‘baarmoeder’.” Zodra Douwien dat woord hoort, gaat het stromen bij haar. “Weet je Lydia, in het hebreeuws, de taal van de Israëlieten, is het woord ‘baarmoeder’ een zusje van het woord ‘barmhartig’. En dat woord ‘barmhartig’ ken jij als islamitisch meisje vast wel. Want hoe begin jij een gebed?” Lydia kijkt Douwien verbaasd aan, maar reciteert dan zonder aarzeling: “Bismillahir rahmanir rahiem‿” “In naam van Allah, de barmhartige, de genadevolle‿”, vertaalt Douwien. “Wist je dat God in de bijbel, ons heilige boek, ook ‘barmhartig’ genoemd wordt?” Zonder het antwoord af te wachten staat Douwien op en pakt een bijbel. Terwijl het stil wordt rond de tafel leest ze de lofzang van Maria, eindigend met: “‿hij herinnert zich zijn barmhartigheid jegens Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.’ Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar, en ging toen terug naar huis.’”
En zo geschiedde.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.