*

 

Kerstverhaal / Op vakantie, fantastisch!?

Joost van Velzen − 19/12/05, 14:25

Franka en Sam lopen over het treinstation. Het is avond en het belooft een prachtige, heldere nacht te worden. Het kan ook niet anders, want zij en Sam gaan voor het eerst samen op vakantie. Moeder had het eerst niet goed gevonden, maar ze zitten bij Sams tante in huis en die zou wel een oogje in het zeil houden. Trouwens Sam is al negentien en zij zeventien!

Franka pakt Sams hand vast en zegt:‘De bergen zijn vast prachtig, ik ben nog nooit in de bergen geweest en nu samen met jou‿’ ‘Ja, het zal vast prachtig zijn,’zegt Sam en hij geeft Franka een zoen. ‘Kom, anders missen we de trein nog en dan gaat het hele feest niet door,’zegt Sam. Ze lopen naar de trein en stappen in. De trein is niet zo druk en ze hebben al snel een plekje gevonden. Ze leggen hun bagage in de bagageruimte en zakken op een stoel neer. Franka kijkt naar buiten. Ze ziet zoveel lichtjes, lichtjes van auto’s, lichtjes van huizen en lichtjes van de sterren. Er hangt een echte kerstsfeer.

Franka heeft een heerlijk gevoel in haar buik en kan het nog niet helemaal bevatten dat ze hier nu zit en straks samen met Sam in de bergen zal staan. Het is gewoon te mooi om waar te zijn.

Franka gaat tegen Sam aan liggen en Sam slaat zijn arm om haar heen. ‘Probeer maar te slapen,’zegt Sam,‘en als je wakker wordt zitten we midden in de bergen.’ Franka glimlacht en doet haar ogen dicht.

Het is pikdonker als Franka geschrokken omhoog schiet. Ze is meteen klaar wakker. Ze hoort mensen om zich heen gillen en voelt een vreselijke pijn. Alles doet pijn. Franka ligt boven op Sam, zijn hoofd zit vol bloed en hij beweegt niet. ‘Sam, Sam,’roept Franka in paniek en ze schut hem door elkaar, maar hij reageert niet en er stroomt bloed uit een gat in zijn hoofd. ‘Wordt nou wakker, we moeten op vakantie,’jammert Franka. Ze kijkt bang om zich heen. Ze ziet dat de trein op zijn kant ligt en overal liggen glasscherven. Ze ziet dat alle stoelen door elkaar liggen en mensen klimmen door de kapotte ramen naar buiten. Franka wil met hen meegaan, maar het kan niet. Haar benen zitten vast. ‘Help, help,’roept ze, maar haar stem gaat in het lawaai verloren. Ze hoort sirenes, hopelijk komen ze snel‿

Franka voelt iets nats op haar hoofd en kijkt omhoog. Door een kapot raam komt sneeuw naar binnen dwarrelen. Zo rustig, hoe kan dat, terwijl het hier een hel is. Franka wordt boos op alles en iedereen. Huilend gaat ze op Sams buik liggen. Ze pakt zijn hand en houdt hem stevig vast. Ze wil hieruit, ze wil weg, maar ze zal Sam niet alleen laten. Franka kijkt naar de sneeuw die hun kleren nat maakt en fluistert:‘Sam, ik laat je niet alleen.’

Zomaar ineens een pijnscheut in haar been. Franka gilt het uit van de pijn en laat Sams hand uit haar hand vallen. Ze zit helemaal onder het bloed en wordt bang, als ze nou maar snel komen. Franka krijgt het benauwd en kijkt naar boven, naar het kapotte raam waardoor frisse lucht naar binnen komt. De sneeuw blijft vallen en mengt zich met rook. Franka ziet een rode gloed. Nee, alsjeblieft, dit wil ze niet meemaken. Ze wil niet levend verbranden. Niet hier, nooit niet.

Dan hoort Franka voetstappen. Glas breekt, Franka hoort het knisperen. ‘Hier, hier ben ik,’roept Franka zo hard als ze kan. Snelle voetstappen. Een brandweerman komt naar haar toe en zegt:‘We halen je hier uit.’

Franka huilt als ze op de armen van een brandweerman naar een ziekenwagen gebracht wordt. Ze wil niet, ze wil niet weg van het brandende treinwrak. Ze moet terug naar Sam, Sam die daar nog ligt. Ze weet niet wat er met Sam aan de hand is. Ze moest Sam achterlaten, de brandweerman wilde niet luisteren. Hij wilde niet luisteren en zij kon zich niet verzetten. Ze kan niks meer. Franka kijkt naar de sneeuw. Ze hoopt dat het een droom is, een nachtmerrie en ze doet haar ogen dicht. De sirenes en het geschreeuw wordt steeds zachter totdat Franka niks meer hoort en weggezonken is in een diepe slaap.

mailIcon print |