*

 

Kerstverhaal / De Belofte

Joost van Velzen − 19/12/05, 14:14

De regen ging over in natte sneeuw. Met een lichte beweging van zijn rechterhand versnelde Stijn het zwiepen van de ruitenwissers.

“Het zit hem echt dwars,” zei Irma.

“Ja, opbiechten doet Joris altijd bij jou,” zei Stijn, “en dan hoopt hij dat jíj het tegen mij vertelt en er nog wat verzachtende omstandigheden van eigen makelei aan toevoegt. Hij is slimmer dan je denkt.”

Joris was Stijns jongste. Irma had de hele dag op hem gepast en Stijn bracht haar nu naar huis.

“Joris is OK,” zei Irma.

“Natuurlijk is hij OK,” zei Stijn.

De temperatuur was kennelijk fors aan het zakken, want op de weg was een soort vuilgrijze paplaag aan het ontstaan. De weilanden verderop, zoals nog duidelijk in het avondschemerlicht te zien was, waren al helemaal wit. Op de radio werd een Top Tienduizend afgewerkt waarin talloze hits uit de jaren 70 en 80:

So now I’m praying for the end of time,

To hurry up and arrive.

“Dat was toch die man met die zuurstoffles,” zei Stijn, “hoe heet ie ook al weer?”

Ooit hadden ze uitbundig gedanst op die muziek, in studentenkeukens, met op het aanrecht ovenschalen met aangekoekte lasagne, en aan het plafond de eeuwige zongebleekte feestslingers. Dansen deed je nooit paarsgewijs, maar in een cirkel waar iedereen met iedereen flirtte, een promiscue proeftuin‿Verliet je die cirkel, dan trad je terug in de vertrouwde wereld waarin bekend was wie bij wie hoorde. En Stijn hoorde bij Jacqueline‿

Het was nu helemaal donker. De wereld bestond uit een wit dekblad, beschenen door duizenden rode en witte autolampen. De Top Tienduizend ratelde voort:

Oh yeah you, you’ve got that something.

I think you’ll understand

Stijn hoorde bij Jacqueline en Vincent hoorde bij Irma. Dat was in de studentenjaren al duidelijk. Ze noemden het - misschien noemen ze het nu nog steeds wel zo – “vaste relaties”, en in de daaropvolgende jaren werd die voorlopige vastigheid beklonken met twee pronte huwelijken waarin ze, als ze zelf niet trouwden, steeds elkaars getuigen waren. Nette stellen zouden ze worden, keurige vriendschappen zouden ze onderhouden, op elkaars kinderen passen, elkaars man of vrouw naar huis brengen, en nooit zou er iets gebeuren.

Met een forse trap op het rempedaal reageerde Stijn op de oplichtende remlichten van zijn voorganger. Ze voelden de auto slippen. Geïrriteerd, alsof het de schuld van de muziek was, gaf Stijn een ruk aan de radioknop. Er klonk een Nu Zijt Wellekome, waarschijnlijk live gezongen ergens in een bakstenen kerk in den lande. Hoewel het lied nogal schraal werd uitgevoerd werd de sfeer in de autocabine opeens heel huiselijk.

“Jij moet straks ook nog helemaal terug!” zei Irma, bezorgd kijkend naar hoe de grijze pap op de snelweg in een heus wit sneeuwdek aan het veranderen was.

Eén keer was er iets gebeurd, vijftien jaar geleden, in München. Twee totaal verschillende congressen, maar voor het onderdak één enkele Nederlandse touroperator met dat ene hotel, waar Stijn en Irma elkaar ‘s avonds in de hotelbar tegenkwamen.

“Jij ook hier?”

Een beetje te lang praten en een beetje te veel alcohol deden de rest. ‘s Ochtends hadden ze samen gedoucht, samen ontbeten en elkaar een plechtige belofte gedaan. Doodzwijgen zouden ze alles - alles, voor anderen, maar vooral henzelf. Aan de ontbijttafel delibereerden ze als ernstige volwassenen die alleen maar verstandige beslissingen kunnen maken. Nooit zouden ze meer terugkomen op wat er gebeurd was, nooit zouden ze deze vonk opnieuw laten ontvlammen.

In de eerste maanden daarop was Stijn door heftige doemgevoelens geplaagd. Ergens zou het een keer uitkomen, door een verspreking of door een confidentie die via derden rond ging zingen. Of door een steelse maar betrapbare blik als ze gevieren - Irma, Vincent, Jacqueline, en hij - aan tafel zaten. En soms dacht Stijn dat alles uit zou komen, omdat de wereld zo ingericht is dát alles altijd uitkomt, dat de waarheid altijd zal zegevieren, dat er helemaal niets is – whatever - dat je mee het graf in kunt nemen. Alles zal gezien zijn, en dit, Kerstmis, was au fond het begin van alle ellende.

De auto reed nog nauwelijks 20 kilometer per uur. Opnieuw gaf Stijn een ruk aan de autoradio. Ze vielen midden in een KNMI-waarschuwing:

Storm en zware sneeuwval hebben de wegen zo goed als onbegaanbaar gemaakt. U wordt aangeraden zoveel mogelijk binnen te blijven.

Als het uitgekomen was zouden twee huwelijken aan scherven hebben gelegen. Maar het kwám niet uit, niet in het eerste jaar en niet in de jaren daarop. De belofte werkte, kennelijk. En nu, vijftien jaar later, acht gezamenlijke kampeervakanties later, ontelbare gezamenlijke etentjes en weekenden geklus in elkaars huizen later, vijf geboortes en drie begrafenissen later – wisten Vincent en Jacqueline nog steeds van niets.

Een vrachtwagen voor hen begon vervaarlijk te zwabberen en draaide opeens schuin weg alsof de achterwielen de voorwielen wilden inhalen. Voorzichtig remmend bracht Stijn de auto in de sneeuw tot stilstand. Irma draaide haar hoofd naar Stijn, en Stijn draaide zijn hoofd naar Irma, en in elkaars ogen zagen ze dat de belofte was verbroken.

mailIcon print |