*

 

Kerstverhaal / Het Slijk van Waarde

Joost van Velzen − 19/12/05, 13:47

Het dorp lag in winterslaap. Ik slenterde naar het plein. Het café was dicht. Ik slenterde links, ik slenterde rechts. De kerk, een boerderij, wat huizen.

Het was de dag voor kerst. Ik was met vrienden een week in Midden-Frankrijk en kneep er even tussenuit. Ik volgde een landweg door modderige akkers met zebrapatroon: in de ploegvoren lag sneeuw. Ik verliet de weg en beklom een dijk. Het lange, bevroren gras op de beschaduwde helling knisperde onder mijn schoenen. Het meer lag onder een dunne suikerspin van nevel. De winterzon knipoogde erbovenuit en verguldde de mist. Aan de voet van de dijk scharrelde een muskusrat door het gele riet. Aan mijn eigen voeten kreeg ik een bankbiljet in het vizier. Geld? Onbelangrijk! Daarom had ik er nooit veel van. Of was het andersom? Ik bukte. Verspreid in het gras lagen drie biljetten, diverse munten en een blauwe aansteker. Ik spiedde rond. Niemand te zien. De bankbiljetten waren vochtig, de munten zaten onder het slijk. De aansteker werkte nog. Ruim honderdtwintig euro, een fortuin! Ik stak de vondst in mijn zak. Opgewonden liep ik door.

Er kwam geen eind aan de dijk. Wolken verdrongen zich voor de zon. De nevel vergrauwde, maar werd uiteengeslagen door een opstekende bries. Mijn voeten versteenden. IJzige spetters sloegen in mijn gezicht. Een kruising tussen hagel en natte sneeuw. Hoe prachtig het landschap was, ik zag alleen nog open haarden, koppen koffie, bellen cognac. Geld genoeg, maar nergens een café. Ging ik terug? Nee, ik ging niet terug, ik nam nooit dezelfde weg terug. Om het meer heen lopen leek te ver, maar er zou vast een kortere weg naar het dorp zijn. Eindelijk een zandweg in min of meer de juiste richting. Rillend beende ik tussen de plassen door. Het dorp kwam maar niet in zicht. Geen boerderijen, niks. In de verte zwol geronk aan. Een Deux-Chevaux rammelde me tegemoet en stopte met gierende banden in opspattende modder. Een hand ontgrendelde het portier. Mannenhand.

'Meerijden?' Mannenstem. Een bleek, gezwollen gezicht boog zich over de bijrijdstoel. Rode wateroogjes, knijpend tegen licht, wind of neerslag. Ik kroop naar binnen.

De man stampte het gaspedaal bijkans door de bodem en het vehikel brulde vooruit. Hij boog voor mij langs naar een pakje Gitanes in het dashboardvakje. Langs zijn hals trok een lange streep wit weg: litteken. Ik rook zijn kegel. Dronken? We stormden op een boom af. Hij zwenkte erlangs, waarna zijn hese lach ontaardde in een hoestbui. Hij miste een paar vingers. De vingers die hij nog had sloegen geel uit. Ik zette me schrap en tastte boven mijn rechterschouder. Geen veiligheidsriem. Hij rommelde weer in het dashboardkastje, zocht tussen zijn sigaretten, mopperde.

'Vuur?' vroeg hij. Nee, wou ik zeggen, maar herinnerde me de aansteker. De man pafte zo heftig, dat er een vlam uit zijn sigaret sloeg.

De natte hagel veranderde in sneeuw. Bij een kruising met een verharde weg rukte hij het stuur naar rechts. Gierend spoten we de bocht door. Even later schoot hij een zijweg op. Plankgas scheurde hij een heuvel over. Daarachter lag het meer. Ineens stond hij bovenop de rem. Met piepende banden slipte de auto de berm in. De man sprong eruit en ik herkende de dijk, waar ik het geld gevonden had. Ook ik stapte uit. De man beende heen en weer, precies op de vindplaats. Hij vloekte. Hij schopte tegen een graspol.

De aansteker! Dat vuurtje gaf ik hem met zijn eigen aansteker! Straks drong het nog tot zijn dronken hoofd door dat... Ik had dus ook zijn geld. Zou ik het teruggeven? Ja, dat moest. Het was tenslotte zijn geld. En hij liet me nog meerijden ook. Natuurlijk gaf ik het terug. Gaf ik het terug? Of hield ik het? Was het niet zijn eigen schuld? Vanochtend straalbezopen de pernod uitgezeken. Zakdoek te voorschijn gesjord, waardoor hij alles eruit trok. Thuis gemerkt dat zijn geld weg was. Hij was bepaald geen brave. Hoe noemde je dat type: guur? Of juist onguur? Het type wou me niet te binnen schieten. Blij dat die dodenrit voorbij was. Ik liep weg en stak mijn hand op.

'Zeg bedankt, hè en tot kijk!' Hij keek op.

'Huh?' Hij wees naar zijn auto. Ik stapte door en keek niet meer om. Louche, dat was hij, een louche type.

Met de sneeuw in de rug, handen in de zakken, beende ik stevig door. Het plein was al maagdelijk wit. Er brandde licht in het café. Er hing een kerel aan de bar, de tafeltjes waren leeg. Ik nam plaats aan het raam en legde de biljetten te drogen boven de radiator, onder een schoteltje geklemd. Ik krabde het slijk van de munten. Nipje cognac, slokje koffie. Die brandde tintelend door mijn hals, mijn borst. Nipje, slokje, heerlijk. Er stond een verpieterd kerststukje op tafel. Met de blauwe aansteker stak ik de kaars aan. Buiten klonk aanzwellend autogeronk. Tussen de kunstsneeuw en kerstklokken op het raam door zag ik de Deux-Chevaux het plein op jakkeren. Slippend stopte de auto voor het café.

mailIcon print |