In deze tijd van het jaar moet ik er weer aan denken. Het gebeurde een paar jaar geleden.
Ik zat op dood spoor, was mijn baan kwijt geraakten en wist niet hoe ik verder moest.
Toen kreeg ik het bericht dat ik een grote prijs gewonnen had! Een luxe droomreis naar Atalanta! Ik kon weggaan, weg uit alle zorgen; ik hoefde zelf niets klaar te maken, reis en hotel waren verzorgd, ik kreeg cheques mee, alles wat ik maar wenste.
Vrienden feliciteerden me, vroegen of ze mee mochten om mijn koffers te dragen.
Het kon me niet schelen dat ik alleen zou gaan, ik zou me heus wel vermaken. Dit koude kikkerland liet ik achter me, tegen Kerst zou ik weer terug komen. Ik vloog heel luxe eerste klas naar het zonovergoten Atalanta. Daar stond een prachtige sportwagen voor me klaar.
Het hotel was snel gevonden, mijn koffers werden naar binnen gedragen.
Kamer met zicht op de blauwe oceaan. Ik kon er leven als God in Frankrijk.
Zeilen, duiken, zwemmen en natuurlijk zonnen. Niet te lang, dat houdt geen mens vol.
Drankjes aan de bar op het strand, mooie meiden, die best met me mee wilden. En ik had geld genoeg om met anderen te eten en te drinken, zo duur en zoveel als ik wilde.
Maar aan alles komt een eind.
De laatste avond ging ik nog een keer naar de disco aan de rand van de stad. Er speelde een goede band, het was er gezellig, ook veel bekende TV- sterren die daar vakantie hielden.
Ik heb gekletst, gedanst en gedronken natuurlijk. Het was er erg warm, daarom ben ik even naar buiten gegaan.
En toen gebeurde het. Op de parkeerplaats. Opeens stond er iemand naast me.
Ik schrok. Maar het bleek een vriendelijke man te zijn; hij vroeg of ik iets zocht. En zo raakten we aan de praat over van alles en nog wat. Hij wilde alles van me weten. Hij vroeg diep door en luisterde echt. Ik voelde dat hij me begreep..
Terwijl we daar stonden zei hij: ”Zie je die prachtige sterrenhemel?”
Dat was de eerste keer op het eiland dat ik daar naar keek. Echt, zo mooi zie je het nergens. We liepen richting zee. Je kon de trage golfslag horen en in de verte zag je de lichtjes van de schepen.
Opeens hoorden we zacht huilen. We keken elkaar aan. Nee, het klonk niet alsof er iemand in elkaar geslagen was of zo. Meer als het huilen van een kind. We liepen er snel op af. Al gauw vonden we het. Een baby, liggend op een plastic zak. Ik nam het meteen in mijn armen.
En toen merkte ik dat de man die bij me was plotseling verdwenen was.
Ik riep: ”Waar ben je, hé, waar zit je nou?” Geen antwoord. Daar stond ik nu met dat kind, wat moest ik in vredesnaam beginnen? Ik droeg het voorzichtig naar mijn auto, legde het op de bank zodat het er niet af kon rollen. Voorzichtig en langzaam ben ik weggereden.
Het was doodstil. Ik voelde me opeens diep gelukkig. Ergens op de heenweg had ik een kliniek gezien, daar reed ik heen. Er brandde licht, ik belde en ze lieten me meteen binnen.
Ik hoefde niet eens veel te vertellen; het komt daar blijkbaar wel vaker voor dat een kind langs de weg wordt gelegd. Er zou gauw een dokter bij komen, maar het kind zag er best goed uit. Het sliep. Ik ben direct doorgegaan naar het hotel. Het werd voor mij een korte nacht want ik moest al vroeg vertrekken. Koffers pakken, auto inleveren en weer terug naar Nederland.
Na enkele maanden kreeg ik brief met een foto toegestuurd door de mensen die het kind hebben geadopteerd. Het kind maakt het prima, het is een jongetje, ze hebben hem Patrick genoemd. Toen ik dat las schoot me vaag de reiszegen van Sint Patrick te binnen.
Het gekke is dat het adres van de afzender op de brief ontbrak. Toch hoop ik het jongetje nog eens te zien.
Maar het liefst zou ik die vreemde man, met wie ik samen het kind gevonden heb, nog eens willen ontmoeten. Om hem te bedanken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.