*

 

Kerstverhaal / In gedachten

Joost van Velzen − 19/12/05, 13:38

Kwaad gooi ik de voordeur achter me dicht. De kerstklokken die aan de deur hangen vallen kapot op de tegels maar ik kijk niet om. Mijn blik is gericht op de straat terwijl allerlei gedachten door m’n hoofd schieten.

Waarom ben ik toch weer meegegaan hiernaartoe! Ik wist dat het op ruzie uit zou lopen! Zo gaat het iedere keer en toch laat ik me weer door de kinderen overhalen!

Ik loop over straat waar het erg rustig is. Ik ben nog geen mens tegengekomen. Af en toe hoor ik vanuit de huizen zachte kinderstemmen kerstliedjes zingen bij de klanken van een piano of orgel. In enkele tuinen zie ik een boom die versiert is met kerstverlichting en slingers.

Het begint donker te worden en de straatverlichting is zojuist aangegaan. Op m’n horloge zie ik dat ik al bijna anderhalf uur rondloop. Af en toe schijnt de maan door de wolken. Een enkele sneeuwvlok dwarrelt naar beneden. Het is koud en m’n adem bevriest op m’n sjaal.

Ik heb op dit moment geen bestemming in gedachten. Ik weet wel dat ik niet meer terug kan. Ik ben die ruzies meer dan zat. Ik vraag me af waarom ik niet de auto heb genomen. Ik had al een uur geleden thuis kunnen zijn.

Het geluid van m’n voetstappen gaat verloren in de stevige wind die door de straten waait. Ik moet uitkijken waar ik loop want het begint glad te worden.

Ik neem een slok bier uit één van de laatste blikjes die ik bij me heb. Ik moet onbewust al een paar blikjes leeggedronken hebben maar de kou zorgt ervoor dat ik nuchter blijf.

Voor de derde maal kom ik langs de oude kerk aan de rand van het dorp. Door de open deuren zie ik dat de koster bezig is met de voorbereidingen voor de dienst van morgen.

De straatverlichting houdt hier bijna op en ik kijk naar de laatste lantarenpaal die staat voor de ingang van de enige begraafplaats in het dorp. Aan het hek rond de begraafplaats schitteren kleine ijspegels. Het toegangshek beweegt langzaam heen en weer in de wind.

Ik voel een rilling over m’n rug lopen. Voor ik verder ga steek ik een sigaret op. Het geluid van de aansteker klinkt als een pistoolschot in m’n oren maar er is verder niemand die het hoort.

Zal ik de begraafplaats op gaan? Het is daar donker, koud en eenzaam. Niemand die je ziet of hoort.

Ik geef niet toe aan m’n twijfels en vastberaden loop ik naar het toegangshek. Het hek is roestig en als ik het open voel ik even een pijnscheut door m’n beide handen trekken. Ik negeer de pijn en ga door het hek naar binnen. Het valt me op dat het hier niet zo donker is als ik had gedacht. De paden zijn verlicht en bij enkele grafstenen branden kaarsen. Ik neem nog een trekje van m’n sigaret en loop naar de dichtstbijzijnde grafsteen die door kaarsen wordt verlicht. In gedachten lees ik de tekst op de steen.

Geboren 22-02-1964

Gestorven 25-12-2004

John Heerenbach

“Op te jonge leeftijd van ons heengegaan.”

“We missen je.”

Ik kijk nogmaals naar de tekst maar het wil niet tot me doordringen. Ik neem een laatste trekje van m’n sigaret terwijl ik het toegangshek achter me hoor kraken in de wind. Ik gooi de sigarettenpeuk weg en neem nog een slok. M’n handen zijn koud geworden dus zet ik het blikje op de grafsteen en steek m’n handen in m’n zakken. Ik stap wat heen en weer terwijl ik blijf kijken naar de tekst op de steen.

Dan dring het tot me door. Deze man is op dezelfde dag geboren als ik en hij is twee jaar geleden op deze dag gestorven!

Ik denk aan de nabestaanden van deze man. Ik denk eraan hoe het zou zijn als ik hier gelegen had. Hoe zouden m’n kinderen en m’n ex-vrouw deze dag beleven?

Ik voel een paar tranen opkomen en begin langzaam in te zien hoe stom ik bezig ben.

De man die hier ligt kan niet meer terug. Ik wel.

Ik veeg m’n tranen weg, draai me om en loop terug naar de ingang. Het begint harder te sneeuwen en tegen het licht van de lantarenpaal lijkt het alsof de sneeuwvlokken een dans voor me opvoeren. Ik sluit het hek en loop zo snel als ik kan. Ik besef nu dat ik fout ben geweest. Het voelt alsof ik een laatste kans heb gekregen.

Het huis ligt er donker en verlaten bij. De enige verlichting in huis komt van een kerstkrans die voor het raam hangt. Geen enkel geluid dringt door de ramen naar buiten. Ik loop het tuinpad op en voel de resten van de gebroken kerstklokken knarsen onder m’n schoenen.

Ik haal m’n handen uit m’n zakken en merk dat ze blijven plakken. In het licht van de kerstkrans zie ik dat ze donkerrood zijn. M’n eerste gedachte is dat het bloed moet zijn. Ik doe een stap terug en merk dat ik bang ben. Bang om naar binnen te gaan.

mailIcon print |