Donderdag 1 december 2005. Het is koud buiten. De ramen van de auto zijn bevroren. Mijn zesjarige zoon en ik krabben de ruiten schoon. Hij klimt in de auto en ik zet zijn zusje in haar stoeltje en rijd naar school en naar het kinderdagverblijf.
Daar kom ik erachter dat ik de tas met haar spullen op de parkeerplaats heb laten staan. Ik rijd terug, maar de tas is weg. Ik zoek in de omringende straten, spreek er mensen op aan, bel het politiebureau, hang een brief op de parkeerplaats. Er zitten oude, zelfgemaakte spullen in de tas; voor een ander van geen waarde. De afgedragen leren slofjes waar mijn zoon nog op leerde lopen; de warme slaapzak, de lappen pop en het Sinterklaascadeau. Het boekje vol kleine anekdotes over mijn dochters wel en wee op het kinderdagverblijf zit in de tas. Maar vooral de doek, de versleten draagdoek, waar ik mijn zoon jaren in heb gedragen en nu de kleine meid. De doek is zo’n deel van mij, van mijn leven geworden. Ik ben er aan gehecht.
Ik loop de Sint Jan binnen en steek een kaarsje op bij de heilige Anthonius, thuis ga ik mediteren en ik bid de hele dag door: ‘Mijn God, geef me alsjeblieft de doek terug!’ Ik probeer te vertrouwen dat dit me niet voor niets overkomt, ik probeer het los te laten. Het lukt niet. Ik hoop op een goede vinder die de tas in veiligheid heeft gebracht, maar als ik tegen de avond de tas nog niet terugheb, maak ik mij steeds meer zorgen. Ik probeer het van me af te zetten. Ik spreek mezelf toe: ‘Er zijn ergere dingen. De kinderen komen niets tekort. Het is niet zo erg.’ Maar ik vind het wél erg.
Tegen middernacht wordt er gebeld dat de tas gevonden is. Als ik alle dierbare spullen terugzie, barst ik in huilen uit. Van opluchting, van dankbaarheid.
Ik drink een glas rode wijn op de goede afloop en vind dan pas de rust om even de krant in te kijken. Op de voorpagina van de Trouw staat een mooie, bijna romantische kleurenfoto van een winters tafereel. Als je niet beter wist zou het een kerstkaart kunnen zijn, met een afbeelding van een kerststal. Maar boven de foto staat niet: ‘Prettige kerstdagen en een gelukkig nieuwjaar!’ Er staat: ‘Drieënhalf miljoen aardbevingsslachtoffers schuilen voor de winter.’ In een tent van boomstammen en stukken zeil zit een vrouw gehurkt bij een pan. Naast haar staan twee kleine kinderen. Hebben zij blote benen? Er valt sneeuw op de tent.
Ik kan mijn ogen niet van de foto afhouden. Het is net een schilderij. Eén stuk zeil is van een bijzondere kleur blauw, die prachtig contrasteert met het wit van de omgeving.
De foto brengt mij in de war. De vrouw kijkt de krant uit. Ze kijkt mij aan. Ik kijk naar mezelf via haar ogen. Wat heb ik mij druk gemaakt om onnozele dingen in vergelijking met wat zij moet doorstaan. Bij haar gaat het niet over slofjes, een knuffel en een doek. Bij haar gaat het over het verlies van vrienden, van familie, van een huis met alles erop en eraan. Het gaat over dekens, over eten, over warme kleren voor haar kinderen. Bij haar gaat het niet over een enerverende dag met goede afloop; bij haar gaat het over een lange winter die nog maar net begonnen is. Zij weet niet of ze haar kinderen kan behoeden voor ziekte, honger en kou. In een hoek van de tent ligt een bos takken. Is het genoeg voor de hele winter? Kan zij haar kinderen en zichzelf in leven houden? Zij heeft de ramp van 8 oktober overleefd, maar zal zij de tweede ramp, het gebrek aan hulp, overleven?
Ik denk aan het komende Kerstfeest, als de geboorte van Jezus wordt gevierd, voor Christenen het ware Licht van de wereld. Lang voor Kerstmis bestond, werd in allerlei culturen in december de winterzonnewende, de hergeboorte van de zon en van het licht gevierd. Dat is precies waar al die mensen in de donkere, afgelegen bergen van India en Pakistan naar hunkeren: dat de zon de aarde weer gaat verwarmen, dat er licht komt in de duisternis.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.