Ik was veertien toen we het feest van het licht met de hele familie vierden, tot en met verre achternichten en –neven die ik nooit eerder gezien had. Ruim honderd man waren bijeen gekomen in een groot en oud huis aan het Naardermeer.
Er werd gegeten en gedanst; volwassen mannen rolden koppetje; in hoekjes achter grote kamerplanten stonden mensen te vrijen; en obers liepen rond met een onverstoorbare blik, leken enkel geïnteresseerd in dorstige kelen... Kortom, het was een klassiek en ouderwets feest; een perfecte gelegenheid om me aan het gezag van mijn ouders te onttrekken. En na de constatering dat de neefjes en nichtjes van mijn leeftijd nog steeds nietszeggend en dom waren – ik zag ze sloompjes handjeklap doen – ging ik op zoek naar mijn meest interessante oom, die vaak smoezelend door mijn tantes besproken werd.
Ik haastte mij door de kamers, was als de wind, die door niemand gepakt kon worden, tot ik uitgeraast tot rust kwam in de lege hoge hal. Het feestgedruis stierf in mijn oren, en ik hoorde van dichtbij gegiechel uit de garderobekast. Ik sloop naderbij, keek naar binnen en zag daar mijn kleine mollige oom. Hij zat op een krukje tussen de winterjassen en werd gezellig omringd door drie mooie, mij onbekende nichten in witte jurken. ‘Aha,’ zei mijn oom quasi opgelucht, ‘mijn redder,’ en blies een kring sigarenrook. De nichten giechelden en trokken me naar binnen. ‘Wat een heerlijk mannetje. Hoe zouden zijn kuiten smaken,’ zei er een. ‘En zijn wangetjes?’ Ik werd betast en ze zeiden: ‘Dit is je slechtste oom, hij is een kwade geest. Waar is zijn vrouw? En wat doet hij hier met ons?’ Zo spraken ze, noemden hem een verderfelijk man, tot hij zei: ‘Hola, zo is het genoeg!’ Hij stond op, wierp de nichten van zich af, en zei tegen mij: ‘Komaan, weg van dit kwaadaardig gekeuvel. Wij gaan naar buiten.’ Hij deed een willekeurige greep in de jassenmassa; gaf mij een jas, waarin ik geheel verdween, en trok me mee.
We stonden buiten. We gingen door de sneeuw. Ik deed mijn best hem bij te houden, maar de lange jas verhinderde mijn stappen, als bij een vrouw in avondjurk, en toen ik bij de steiger aankwam was de boot losgemaakt en zat mijn oom met de riemen in zijn handen te wachten. We voeren een donker en koud, maar nog niet bevroren meer op.
‘Luister goed,’ zei hij. ‘Ik ben je meest slechte oom, dus wie kan je beter raad geven? Dit hier,’ hij wees over het meer, ‘was ooit voor de helft het eigendom van onze familie. Mijn opa verkocht het en van het geld vieren we nu uitgebreid kerstmis. Toen ik klein was, zo oud als jij, nam hij me op een koude nacht mee het meer op en liet me iets opmerkelijks zien... iets wonderlijks... iets dat mijn leven verrijkte...’ Hij keek me indringend aan. ‘Want er bestaat meer, jongen, dan je zien kunt...’ Hij pauzeerde, en keek om, zodat hij zag waarheen hij roeide. We naderden een rietkraag, en door een opening gingen we het rietlandschap binnen. Het uitzicht was verdwenen, we bevonden ons in een kamer met muren van bruine zacht wiegende stengels. Hij legde de boot stil. ‘Kijk daar,’ zei hij en wees. ‘Zie je de kleine wezentjes bij de rand van het riet, met hun witte jurkjes en blonde haren. Dat zijn de waterfeeën,’ zei mijn oom. Ik zag enkel de mist tussen het riet vandaan sijpelen, maar geloofde in zijn woorden. ‘En als je jong bent, zoals jij,’ ging hij verder, ‘kun je je gedachtes en je dromen aan hen besteden, maar wordt je ouder, en groter, dan besteed je je dromen aan volgroeide meisjes die als de feeën zijn – zacht en met kleine borsten – je kiest er een uit, waarmee je oud wilt worden, maar je gedachtes, je dromen blijven hangen... je groeit niet mee... en het gevolg is dat je op een of andere dag in een of andere garderobekast met een of andere jonge vrouw zit waarmee je je eigen, oude vrouw bedriegd... en dan ben je schuldig...’ Hij zweeg even, zei toen: ‘Je moet zorgen dat je met je vrouw meegroeit...’ Ik knikte, en herhaalde voorzichtig en onzeker het woord: ‘meegroeien.’
Op de weg terug was hij stil, in gepeins verzonken, tot er iemand vanaf de wal zijn naam riep. ‘Zij wil weten met wie ik hier ben, en als jij, jongen, mij niet uit die garderobe had weggelokt, zat ik hier inderdaad met drie mooie nichten aan boord... Je laat mij inzien, dat het niet goed is... het is niet goed...’ mompelde hij voort. Het was kerst, zelfs mijn oom kon dat niet negeren, en aan de wal nam hij zijn vrouw, tilde haar op, en kietelde haar met zijn woorden in haar hoofd, ze lachte... Hij verklaarde haar op beide knieën in de sneeuw zijn eeuwige liefde... door schuld ingegeven.
Zo sprookjesachtig was het nooit meer. Drie jaar later, tijdens hetzelfde feest, brandde het familiehuis af. s’Ochtends zagen we in een bleke zon de contouren van een zwart gebouw in het besneeuwde landschap liggen. Mijn oom had zijn smeulende sigaar in de garderobekast laten liggen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.