*

 

Kerstverhaal / Zo maar, uit belangstelling

Joost van Velzen − 19/12/05, 12:22

Op weg naar een afspraak met enkele cliënten valt me op dat Kerstmis een hoog Efteling gehalte begint te krijgen. Om me heen kijkend zie ik meer en meer huizen omgetoverd tot namaakpaleizen vol uitbundige flikkerende kerstverlichting, met verlichte rendieren in de tuin en kleurige kerstbomen binnen en buiten.

De laatste jaren ontvlucht ik de kerstdagen om te ontkomen aan de overvloed van eten en nog eens eten. Maar bovenal wil ik weg van al dat dwaze gedoe er om heen. Vanochtend was ik bij AH voor de wekelijkse boodschappen. Op afstand hoor ik een vrouw tegen haar man roepen: ‘ wat voor vlees wil jij eten op eerste Kerstdag?’ De man roept zonder enige echte interesse: ‘doe maar konijn’ en bladert nieuwsgierig verder in de nieuwe Playboy! ‘Toe Jan, je weet dat mijn moeder daar niet van houdt.’ ‘Daarom juist’, zegt de man vilein. Zo’n smakeloze dialoog doet de kaars voor Kerstmis bij mij doven. Nu weet ik het zeker: ik wil weg met Kerstmis. Uitwaaien aan zee, meedansen met dwarrelende sneeuwvlokken, mijn hoofd leeg maken en al wandelend in de ijzige vrieslucht de lichtheid van mijn bestaan weer eens opschudden.

Aangekomen op mijn kantoor wacht ik op Sayed, een vluchteling, die ik sinds kort als adviseur help bij het zoeken naar werk. Op het bureau naast me klinkt uit een verborgen radio de tranentrekker Eenzame Kerst van André Hazes. Het woord eenzaam triggert me. Zou het voor Sayed ook een eenzame kerst worden, zo ver weg van zijn naaste familie? Ik besluit dan ook dat mijn eerste vraag over Kerstmis zal gaan. Het is de tweede keer dat ik Sayed ontmoet. Hij is nu vijf jaar in Nederland. Sinds kort heeft hij een definitieve verblijfsvergunning, maar voor zijn vrouw is dat nog heel ongewis. Iedere week moet zijn vrouw een controlestempeltje halen in een asielzoekerscentrum, hier 15 kilometer vandaan. De busreis voor deze wekelijkse verplichting kost, buiten de veelheid aan strippenkaarten, haar minimaal een halve dag. De stempelactiviteit duurt precies een halve minuut en dan staat ze weer buiten. Op een treiterende wijze wordt hier ‘een mens erger niet spel’ gespeeld met een vrouw die zo goed als kansloos is. Want haar toegewezen advocaat zegt dat de kans groot is dat zij terug moet naar Afghanistan. Er wordt beweerd dat het daar nu veilig is. Van Sayed hoor ik echter, die onlangs nog contact heeft gehad met zijn familie in Kabul, dat het daar helemaal niet veilig is. Er gebeuren daar nog heel nare dingen. Maar ook speelt mee dat Sayed geen werk heeft.

Sayed, hoe ga jij met jouw familie Kerstmis vieren? De vluchteling kijkt mij, met ogen zonder veel hoop, vorsend aan en zegt: waarom vraagt u hoe ik Kerstmis ga vieren? Verrast door zijn reactie zeg ik: ‘zo maar, uit belangstelling.’ Even veert hij op en ontspringt er glans in zijn ogen. ‘Uit belangstelling’, herhaalt hij. Zijn ogen kleuren vochtig, hij pakt mijn hand vast en zegt: ‘dank u wel!’ ‘Waarvoor bedankt u mij?’ ‘Ik zeg alleen maar: zo maar, uit belangstelling! En dat is iets wat ik oprecht meen!’ Opnieuw, maar dan stamelend: ‘u doet het écht uit belangstelling? U bent de eerste die mij iets vraagt uit belangstelling. Mijn vrouw en ik weten niet meer wat dat is. De meeste mensen in mijn omgeving hebben geen belangstelling voor mij en mijn vrouw. Op straat negeren mensen ons, groeten ons niet. Ik vind geen werk. Iedere keer hoor ik dat ik niet pas in jullie cultuur en dat ik niet de juiste diploma’s heb. Mijn naam deugt niet. Beter was het geweest wanneer ik Jan Jansen had geheten. Ik heb in mijn land, tot het moment waarop ik ben verjaagd, vijf jaar les gegeven aan jongeren in het vak economie. En hier ben ik en voel ik me onbekwaam. Het is kil om ons heen.’ Hier heb ik niets tegen in te brengen, zijn verhaal is maar al te waar. Sayed lijdt zichtbaar onder de gesel van een land dat nog weinig mededogen heeft met vluchtelingen. Meewarig kijk ik hem aan, de stilte is hoorbaar. Sayed gaat met een matte glimlach verder: ‘met Kerstmis komen familieleden bij ons op bezoek. Mijn vrouw maakt dan Kalbie, een Afghaans gerecht met rijst, kip en rundergehaktballetjes. We kijken TV, we lezen uit de koran, we luisteren naar muziek en proberen te bellen met familie in Kabul.

‘U moet mij helpen. Ik wil graag werken en geld verdienen, ik wil alles aanpakken. Misschien kan mijn vrouw dan wel bij mij blijven. U zegt dat u belangstelling voor mij heeft. U verwarmt mijn hart.’ Donkere hulpeloze ogen kijken me pathetisch aan, zoeken redding bij mij. Werk! Een Een mooier kerstgeschenk is voor Sayed niet denkbaar. En dat is dan hopelijk ook de zalf die een dreigende uitzeting van zijn vrouw doet wegkwijnen. Ik beloof Sayed mijn stinkende best voor hem te doen. Ik weet dat de kans gering is. Maar dat maakt de uitdaging voor mij, om hem een kerstpakket aan te bieden met daarin een baan, alleen maar uitdagender. Zo maar, uit échte belangstelling.....

mailIcon print |