De koolmezen en de pimpelmeesjes zijn weggebleven vanochtend. Ook het roodborstje en de zanglijster hebben zich niet laten zien in het mini-vogelvoederhuisje van plexiglas, dat met zuignapjes aan de slaapkamerruit geplakt is.
Ze kijkt er elke morgen vanuit haar bed naar. Op de rand van het morgenlicht komen ze een voor een uit de boom voor het balkon aangezwierd. Een drukke zwerm fladderende en hippende beestjes, op en aan en vanaf het huisje hangend, om de beurt razendsnel een pitje wegpakkend om dat op een veilig plekje, tik tik tik tik, kapot te hameren en op te eten, snaveltje afvegen, volgende zaadje halen. Frrrt, Frrrt. Prachtig.
Maar die troost is nu in zijn tegendeel verkeerd.
Gisteren zijn opeens alle vijftig majestueuze esdoorns op de laan omgehakt. In het kader van de Herstructurering; om nieuwe Parkeerplaatsen en een Fietspad te maken. Ze ging ‘s ochtends van huis en toen stonden ze er nog. Toen ze thuis kwam werd de laatste geveld. Ze is verbijsterd, want ze wist het niet. En ze hoeft geen parkeerplaats, want ze heeft geen auto, en ook al had ze er wel een, dan had ze toch liever een boom en ze heeft ook liever een boom dan een fietspad. De gemeente zei, dat ze niet meer gezond waren, maar ze heeft met eigen ogen de puntgave doorgezaagde stammen gezien.
In haar verbijsterde lijf dreunen de vallende stammen, en ruisen de vallende takken, steeds maar door, almaar door.
Er komen nieuwe lindeboompjes, zegt de gemeente. Maar dat is geen troost.
Die esdoorns waren levende wezens, die daar al vijftig jaar op die laan woonden en die die laan samen met de mensen meegeschapen hadden.
En nu zijn de vogeltjes ook weg. Geschrokken, ontheemd, ergens op straat doodgevallen.
Het is de zondag vlak voor Kerstmis.
De Westenwind vlaagt door de nog donkere huizenlaan; scherpe hagel en natte sneeuw striemen in haar gezicht als zij, voorovergebogen op de fiets in de richting van het strand trapt voor haar wekelijkse zonsopgang. De straten liggen vol hagelkorrels en sneeuwvlokken; de wind maakt kleine ijsduintjes tegen weggegooide bierblikjes, vuilniszakken, een buitenstaande fiets. De straatlantaarns branden nog en ook in de eenzame winkeletalages staan de kerstmannen breed lachend naar geen publiek, hun lichtjesslingers omhoog te houden. Reizend achter de wolkengevaarten trekt de volle maan hoog aan de hemel voor haar uit.
Het wordt lichter; de storm is van zwart naar grijs veranderd als ze haar duin beklimt. Op het duin heb je een panoramisch uitzicht over zowel de oostelijke als de westelijke horizon; het is de beste plek van de stad om zonsop- en ondergangen te zien. Sneeuw heeft zich tussen het dorre lange gras genesteld, en ligt over de oranje vuurdoornbessen en de roze kardinaalshoed, die hier en daar nog aan de struiken hangen.
De zonsopgang is vanochtend nauwelijks te zien. Boven haar hoofd jagen de loodgrijze wolken oostwaarts. Even komt er een plek aan de oostelijke einder vrij, een vlek blauwe lucht, een oranje wolk, twee zonnestralen. Het horloge wijst het laatste tijdstip, het kompas het meest zuidelijke punt van opgang van de zon aan.
Midwinter.
Vijftig esdoorns die vallen en dreunen en ruisen.
De zon gaat op. De vrije lichte plek aan de oostelijke horizon sluit zich weer; met ijskarwatsen geselt de wind de lange kustrand. Op het duin houdt ze zich vast aan het zomerbankje dat daar staat. De branding beneden aan het strand is hoog, wild en wit. De golfbrekers worden overspoeld door schuim. De zee brult.
Dan ziet ze de vloedgolf zich aan de einder verheffen; een donkere met schuim getopte wand, die nadert als een sneltrein en zich steeds hoger boven de horizon uittilt. De golfbrekers protesteren tevergeefs; met donderend geraas stort het water zich op het strand, kolkt om de eerste rij duinen; de eerste duinpan stroomt vol en het water begint om het duin waar ze staat te golven. Dan loopt de eerste straat achter de duinen vol, dan de tweede. Iedereen slaapt nog. De stad loopt onder, het stadhuis, de plantsoenendienst, de loodsen met de kettingzagen. De stad verdrinkt, verdwijnt.....
In het oosten glijdt de zon blinkend over het eindeloze water verder naar het zuiden.
Midwinter.
Ze hoort een krakend geluid achter zich en draait zich om. Daar groeit een vijgeboom omhoog vanuit het asfalt op de duintop. De vijgeboom draagt rode rozen. En de roodste roos zegt tegen haar: “Zou ik die grote stad niet verschonen? Waarin veel meer dan honderd en twintig duizend mensen zijn, die geen onderscheid weten tussen hun rechterhand en hun linkerhand en dan ook nog veel onschuldige honden, katten en ratten?”
“Ja maar” schreeuwt ze, en ze schaaft haar koude handen en knieën aan het harde asfalt: “Zíj hebben zich niet bekeerd!!!!!”
De stad is ontwaakt als ze door de lange natte straten terugfietst. De mensen lopen buiten met honden. Een kerkklok luidt. Het is licht geworden en de storm is enigszins geluwd. In de laan bij haar huis liggen de lange gevelde esdoornstammen glimmend van de regen in het waterige zonnetje langs de stoep. Er zit één pimpelmees in het vogelvoederhuisje te eten. Door het raam in de achterkamer schijnt de laagstaande witte winterzon tot ver onder de tafel in de voorkamer. De plinten moeten nodig geverfd worden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.