Ze reed in haar gloednieuwe felrode two-seater over een vrijwel lege snelweg. Het was kerstavond en ze was op weg naar een 'moordweekend' voor alleenstaanden. Impulsief had ze zich hiervoor ingeschreven toen ze zich realiseerde dat ze niet nog een kerst in haar eentje aankon.
Materieel gezien had ze alles wat een mens zich maar kon wensen. Ze had flitsend carrière gemaakt en een invloedrijke baan bemachtigd. Ze kon zich een leven in luxe veroorloven en dat deed ze ook. Maar sociaal gezien leed ze armoede. Haar weg naar de top had zijn tol geĆ«ist. Ze had dag en nacht gewerkt en geen tijd gehad voor opbloeiende vriendschappen, laat staan voor romances. In het begin was dat genoeg geweest. De mannen die werk van haar maakten en de collega's met wie het klikte, ze wimpelde ze allemaal af. Al snel was de boodschap overgekomen en lieten ze haar met rust. Met als gevolg dat ze niet zou weten met wie ze dit jaar kerst kon vieren. Ze voelde een golf van paniek door zich heen trekken. De laatste jaren kostte het steeds meer moeite om de energie op te brengen die haar baan vroeg. Ze straalde nog steeds de boodschap "sterk en onafhankelijk" uit, maar die klopte allang niet meer. Toen de kerst in aantocht was had ze gepolst bij collega's wat zij voor plannen hadden. Ze had gehint dat ze eventueel beschikbaar was. Maar niemand had toegehapt. Iedereen was gewend dat ze zich wel redde en niemand merkte enige verandering bij haar op. Ze zuchtte. Tranen vertroebelden haar zicht en ze knipperde met haar ogen. Het sneeuwde de hele avond al en de weg werd steeds slechter begaanbaar. Ze reikte opzij om een zakdoek te pakken om haar tranen te drogen en binnen een paar seconden was het gebeurd. De auto raakte onverwachts in een slip. Instinctief stuurde ze tegen. Ze voelde de banden protesteren. De weg was spekglad en de auto draaide een keer rond zijn as om vervolgens in de berm te eindigen. Met kloppend hart liet ze haar hoofd op het stuur zakken. Haar tranen gingen over in heftig schokkend huilen. Met lange gierende ademteugen brulde ze als de kleuter die ze ooit was. Ze voelde zich grenzeloos alleen en hulpeloos. Ze graaide haar tas van de passagiersstoel en stapte uit de auto. Buiten was het ijzig koud en de sneeuwbui bleek te zijn aangewakkerd tot storm. Zonder te weten waar ze was en waar ze heen wilde begon ze te lopen. Op haar elegante dameslaarzen ploeterde ze door de sneeuw. Hoe verder ze van de snelweg verwijderd raakte, hoe stiller en donkerder het werd. Het kon haar niets schelen. Ze liep en ze huilde. Na een tijd zag ze een oude boerderij. Achter een van de ramen brandde licht en ze gluurde naar binnen. Daar zag het er armoedig uit. Stoffige meubelen, slijtplekken in de vloerbedekking en watervlekken in het behang. Maar ze zag meer! In de kleine woonkamer zat een groepje mensen in dikke truien om een houtkachel dicht bij elkaar. Op een laag tafeltje lag een gezelschapsspel en stonden wat eenvoudige hapjes en drankjes. De mensen lachten en voelden zich duidelijk op hun gemak bij elkaar. De warmte van de houtkachel verspreidde een rode gloed door de hele kamer. In de hoek stond een kleine kerstboom met eigengemaakte versiering erin. Aan de voeten van een van de mannen lag een vriendelijk ogende hond. Aarzelend tikte ze op het raam. Binnen reageerde een van de mannen op het geluid en opende een deur aan de zijkant van de boerderij. Voor ze zich goed en wel realiseerde wat er gebeurde, was ze binnengehaald en in een stoel bij de houtkachel gezet. Een van de vrouwen trok haar laarzen uit en wreef voorzichtig haar verkleumde voeten warm. Een van de mannen legde een plaid om haar schouders. Heel even liet hij zijn hand op haar schouder rusten en voelde ze zijn warmte door haar lichaam trekken. Toen ze haar uitnodigden te vertellen wat er was gebeurd vertelde ze van de slipper op de snelweg en de voettocht op zoek naar hulp. Maar ze vertelde niet over de tranen en de wanhoop die eraan vooraf waren gegaan. Nog niet! Dat bewaarde ze voor later, wanneer ze hen de kans had gegeven haar beter te leren kennen. Met het 'moordweekend' werd het niets meer. Nadat ze wat van de schrik en de kou was bekomen, nodigden haar gastheren en gastvrouwen haar uit om te blijven. De wegen waren ondertussen zo slecht begaanbaar dat het onverantwoordelijk zou zijn om nu op zoek te gaan naar de auto. Ze belden de politie om het incident te melden en daar lieten ze het voorlopig bij. Boven, in een van de logeerkamers, werd voor haar een bed opgemaakt en ze kreeg een trui en dikke sokken te leen. In de cirkel rond de lage tafel werd een stoel bijgeschoven. Op het spelbord werd een extra pion toegevoegd. De hond, die Rudolf bleek te heten, krulde zich op aan haar voeten en ze wist dat ze thuisgekomen was.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.