Dichtbij de vrolijk versierde kerstboom zit een man van middelbare leeftijd. Hij heeft een kop koffie en een broodje besteld. Dat is al uren geleden. Nu is het avond en John de barkeeper wil zijn zaak sluiten omdat het kerstavond is. De man is nog zijn enige klant. Hij heeft nauwelijks iets gezegd en zit daar maar. Toch lijkt hij ondanks zijn grauwe regenjas en onverzorgde uiterlijk niet op een van de zwerverstypes. Het gezicht van de man drukt een immense treurigheid uit. Af en toe rommelt hij wat in de canvastas die naast hem op de andere stoel staat.
Net als John na staat te denken hoe hij de man duidelijk zal maken dat hij vanavond vroeg wil sluiten, stopt een auto vlak voor de ingang van het café. Dan komt een lange slanke vrouw gehaast naar binnen. Met haar waait een koude wind mee. Haar hele gestalte is bedekt met sneeuwvlokken die echter snel smelten in de warmte.
‘Hallo, John. Ik heb een afspraak met mijn vader hier.’
‘Je vader? Is die heer daar achter in het café je vader?’ vraagt hij ongelovig.
‘Ja, dat zal hem zijn.’ zegt ze. ‘Ik ga hem begroeten. Breng ons maar twee glazen rode wijn.’
Ze loopt naar achteren. Als ze dicht bij de man is aarzelt ze. Is dat werkelijk haar vader?
‘Dag’, zegt ze en steekt haar hand naar hem uit. ‘Ik ben Selma.’ De man staat op en pakt haar hand en wil haar omarmen, maar Selma weert hem af.
‘Kindlief, jij bent Selma.’ Er staan tranen in zijn ogen, die hij onhandig probeert weg te vegen. Selma ziet ze wel, maar lijkt onbewogen als ze zegt: ’Ik heb twee glazen wijn besteld.’
Al lijkt het of het haar koud laat haar vader na zo’n lange tijd weer te zien, toch gaat haar hart als een bezetene te keer Vaak heeft ze gedacht dat ze hem, de man die een moord gepleegd heeft, nooit weer wilde zien. Nu haar moeder niet meer leeft, wilde ze hem toch ontmoeten. Selma gaat tegenover hem zitten. Ze huivert.
‘Wanneer hebben ze laten je gaan.’ vraagt ze.
Zacht zegt hij: ‘Vanochtend om half elf liep ik buiten, was ik weer vrij’. Hij knippert zenuwachtig met zijn ogen. ‘Geloof me, het was een hel. Het ergste was dat ik niet bij je moeder kon zijn toen ze stierf.’ Even stopt hij dan gaat hij verder: ‘Ze is altijd van mij blijven houden. Ik weet dat ik het niet verdiend heb dat zij zo dikwijls bij me kwam.’
John brengt de twee glazen wijn. Vader en dochter zwijgen.
De deur van het café wordt geopend. Met de ijzige wind komt een groep zangers van het Leger des Heils naar binnen. Ze gaan bij de bar staan en heffen een lied aan. De vader raakt helemaal ontdaan als hij ’Er is een kindeke geboren op aard’ hoort. Dikke tranen rollen over zijn wangen. Selma ziet het en plotseling grijpt zij de hand van haar vader.
‘O. Papa. Waarom was jij er niet? Altijd moest mama iets bedenken waarom jij er niet was. Totdat ze er niet meer onderuit kon mij de waarheid te vertellen. Het was alsof mijn wereld instortte. Ik had bij mijzelf gezworen jou nooit meer te willen zien.
De vader vloekt zacht in zichzelf en zegt dan met schorre stem: ‘Dat begrijp ik’.
Hij rommelt in zijn canvastas. ‘Ik heb een kerstcadeau voor je.’ Hij geeft haar een groot in bruin papier ingepakt pak.
‘Hier zitten alle brieven van je moeder in, en al die brieven die ik haar terugschreef maar nooit verzonden heb. In plaats daarvan stuurde ik haar nietszeggende briefjes. Dit is voor jou. En ook de boeken die zij meestuurde. Nooit heb ik begrepen hoe zij mij, een misdadiger, gedichtenbundels sturen kon. Selma, geloof me, mijn leven is een grote puinhoop en jouw wil ik vergiffenis vragen.’
Selma barst in tranen uit. De vader staat op en zegt: ‘Lieve Selma, ik ga nu weg. Misschien wil je mij toch nog weer eens zien. Ik hoop het, mijn kind.’
De vader neemt zijn canvastas mee en kijkt niet meer om. Hij loopt alsof hij enorme haast heeft. Als hij de deur opent hoort Selma de kerkklokken luiden. O, ja, het is kerstavond. Het luiden van klokken heeft al van kindsaf aan grote verwachtingen bij haar opgeroepen. Ze hoopte altijd op een wonder. Een kerstwonder.
De vader sluit de deur niet. Even later hoort Selma piepende remmen en een enorme knal. Daarna is het doodstil. Ook het klokgelui is gestopt.
Slechts enkele seconden is het stil. Dan komt een van de heilssoldaten binnengerend en roept gejaagd: ‘Bel een ambulance. Snel, er is een ongeluk gebeurd.’
Selma wordt opeens bang. Ze rent naar buiten. Het is haar vader die daar op de grond ligt. Zijn gezicht ziet er ineens zo anders uit.
’Papa, papa. Mijn God laat het niet waar zijn.’
Maar als ze zich over hem heen buigt, ziet ze dat het te laat is. Haar vader, de man die ze tien jaar niet gezien heeft, ligt dood op de weg.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.