Het was december 1944.In Duitsland was het bitterkoud met 28 graden vorst. Sinds de razzia van november verbleef ik in het "Lager" van de betonplatenfabriek. In de barak deelde ik een stapelbed met mijn vriend Roel. Hij boven en ik beneden. We hadden geen sokken. In plaats daarvan vouwden we vierkante lappen en stopten die in een soort houten klompen, die aan alle kanten lek waren.
We zochten ook een mogelijkheid om een sigaret te kunnen roken. Hoewel we wel wat tabak kregen hadden we geen vloeitjes. Goede raad was duur. We hadden wel onze bijbeltjes en de bladen daarvan waren buitengewoon dun en zeer geschikt als sigarettenvloeitjes. We begonnen met de geslachtsregisters in het Oude Testament. Die werden toch niet gelezen. En dan waren er de Psalmen. We lazen die een aantal malen, totdat we ze uit het hoofd kenden en scheurden dan de bladzijden eruit. Helaas werden de bij-beltjes op deze wijze steeds dunner. Toch bleef er nog genoeg over voor een kerkdienst. Roel had namelijk toestemming gekregen om een Kerstviering te houden in een leegstaande barak. We mochten de barak na de viering laten opruimen en afsluiten door Maria, een Oekraïense gevangene.
Er was veel belangstelling onder de Hollandse gevangenen. Niet omdat ze zo gelovig waren, maar het was een welkome afleiding. En Roel heeft het uitstekend gedaan.
Maria had zich tijdens de dienst in een hoekje teruggetrokken. Als Oekraïense verstond ze wel een paar woorden Duits, maar van een Hollandse kerkdienst begreep ze niets. Of Toch? Bij de geschiedenis van Jozef en Maria en de geboorte van het Kerstkind zag ik haar glimlachen
Er was ook een welkom besluit, want na afloop van de dienst kregen we een half witbrood, geleverd door het Zweedse Rode Kruis. Met een gevoel van geluk zochten we onze barak weer op. In de verte zag ik Maria, op weg naar haar eigen barak.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.