*

 

Kerstverhaal / Het meisje en de toren

Joost van Velzen − 19/12/05, 11:39

Een sprookje.

Er was eens een klein meisje. Ze woonde in het mooiste stadje van het land. Er stond een prachtige toren in het midden van dat mooie stadje. Het meisje hield van die toren en ze verlangde er naar om bovenop die toren te staan. Maar ja, het was wel een heel hoge toren, zeker voor zo’n klein meisje. Je moest wel 700 treden beklimmen voordat je boven was!

“Weet je wat”, zei het meisje, “als ik nou eens iedere dag een paar treden neem, dan kom ik er misschien wel”. En zo geschiedde. Iedere dag beklom het meisje een paar treden. Ondertussen gebeurde er veel. Ze leerde lezen, ze leerde schrijven, ze deed spelletjes, ze maakte ruzie, ze verzorgde zieke mensen, ze werd verliefd, ze kreeg kinderen en kleinkinderen en iedere dag kwam ze weer een stukje hoger in de toren.

En toen op een dag, precies op de avond voordat ze zeventig jaar zou worden, stond ze bovenop de toren. Ze keek haar ogen uit en ze danste van vreugde, de hele stad lag aan haar voeten. Het was al donker, maar de stad werd verlicht met talloze lichtjes. Ze zag de rivier, ze zag het stadhuis en de grote kerstboom op het plein, ze zag het café op de hoek, ze zag de winkels, ze zag haar eigen huisje, ze zag de mensen en de dieren en de bomen. Oh wat was het mooi en wat genoot ze! Toen de lichten van de stad doofden en alle mensen en dieren gingen slapen ging het meisje de trappen weer af en toen ze beneden gekomen was sloeg de deur met een klap achter haar dicht.

Toen ze de volgende dag wakker werd hoorde ze in gedachten nog steeds de klap waarmee de deur was dichtgeslagen. Het geluid trilde door haar hele lichaam en ze schrok en realiseerde zich plotseling, dat er geen weg meer terug was. Tot haar grote schrik bemerkte ze dat de toren was verdwenen. Ze keek om zich heen en voor haar lag een grote lege witte kille vlakte. Ze voelde zich eenzaam en verlaten. Toen pakte ze een stukje papier en een pen en als vanzelf begon haar hand een gedicht te schrijven. Dat ging zo:

Een witte kerst

Achter haar rug

slaat de deur dicht.

Geen weg terug.

Zo plotseling.

Ze tuurt de einder af.

Kille witte leegte

maakt haar bang,

bang en onzeker.

Geen houvast,

wankel evenwicht.

Koud en eenzaam

en verlaten.

Ze laat zich

in de sneeuw vallen.

Het naakte lichaam beeft

en rilt van kou.

Zoals ooit

een kleine baby

in die verre stal.

Waar is de os,

waar is de ezel

en de herders?

Moeder Maria

houd me vast!

Het meisje legde ten slotte de pen neer en sloot haar ogen. Ze droomde weg en zweefde boven de lege, witte, kille vlakte. Ze zag zichzelf zitten voor de deur die dicht geslagen was. De sleutel zat nog in het slot en het meisje merkte dat ze de deur kon openen. Een hele geruststelling. De sleutel stak ze in haar zak en ze bewaarde hem zorgvuldig.

Toen ze nog eens om zich heen keek, zag ze tot haar verrassing een grote boom staan met een stevige stam en een frisse groene bladerkroon. Aan de voet van de boom stond een bruine koe kalm en rustig te grazen.

Blij en tevreden leunde ze met haar rug tegen de deur en overzag de vlakte, die nu niet meer zo leeg en angstaanjagend was. Rustig graasde de koe verder en de bladeren van de boom ritselden in de wind. In de verte balkte een ezel.

mailIcon print |