*

 

Kerstverhaal / De vredesduiven

Joost van Velzen − 19/12/05, 18:10

Opa Bos stond voor het raam en keek naar buiten. Hij zuchtte eens diep, maar het hielp niet. Hij knipperde wat met zijn ogen, maar ook dat hielp niet. Er kwamen toch een paar tranen. Hij pakte zijn zakdoek en snoot zijn neus. ‘Je wordt toch niet verkouden, hé?’, hoorde hij vanuit de keuken zeggen. ‘Ach welnee’, en hij gluurde met één oog haar kant uit. Gelukkig, ze had niets gezien. Toen staarde hij weer naar buiten.

‘Mooi vliegweer’, dacht hij. Zijn duiven zouden genieten daar boven. Wanneer het morgen ook zulk weer zou zijn was er een kans dat het een goede vlucht zou worden. De wind was goed en voor de komende dagen waren de vooruitzichten ook gunstig. ‘Prachtig vliegweer’, mompelde hij nog eens in zichzelf. Maar toen kwamen ze weer, die vervelende tranen. Wat stond hij nu toch te filosoferen over zijn duiven. Hij had helemaal geen duiven meer, althans ze waren er nog wel, daarboven, maar ze waren niet meer van hem. Peter, zijn buurjongen van één hoog en zijn vader, zouden alles van hem overnemen. Hij moest blij zijn dat zij met dit mooie voorstel waren gekomen. Toen hij nog in het ziekenhuis lag, had Peter direct al gezegd dat hij voor de duiven zou zorgen. Dit was een hele geruststelling voor hem geweest. Natuurlijk had zijn vrouw de duiven iedere dag wel kunnen voeren, maar alleen voeren was niet genoeg. Met duiven moest je praten, vond opa Bos, ze lieve woordjes influisteren en soms eens op hun kop geven, als ze te laat thuis kwamen van een vlucht. Uren kon hij boven op zijn platje zitten en naar ze kijken. Zijn duiven hadden ook allemaal een naam. Maar dat was onzin, vond zijn vrouw. Die beesten leken allemaal op elkaar en hoe kon je daar nu wijs uit. Maar wanneer zijn vrouw zoiets zei, haalde opa Bos zijn schouders op. Daar was niet mee te praten.

En nu was dat allemaal voorbij, zomaar ineens. Hartaanval, ziekenhuis, beter worden en thuis komen en de dokter horen zeggen: ‘Dat kan niet meer, meneer Bos, die duiven. Iedere dag drie trappen op, dat gaat niet meer. U mag blij zijn met dit benedenhuis, want trappen lopen is er voor U niet meer bij.’

Toch wilde hij naar boven. Hij draaide zich om en zei: ‘Ik ga even boven kijken, ik heb het gevoel dat er iets niet in orde is. Peter is nog lang niet uit school, misschien heeft hij wel een van de luikjes dicht gelaten.’ Maar hij had niet gerekend met zijn vrouw, die nu plotseling naast hem stond en zei: ‘Je weet toch dat dit niet mag? Je hebt toch gehoord wat de dokter gezegd heeft, laat die beesten nu maar. Ze redden zich wel en Peter komt over een uurtje thuis.’

Opa Bos liet zich echter niet van de wijs brengen. Hij mompelde wat onverstaanbare woorden, duwde zijn vrouw wat opzij, die inmiddels voor de deur naar de gang was geen staan, en zei: ‘Zeur niet zo, ga eens opzij en laat me er langs. Ik alleen weet wat die beesten nodig hebben.’ Hij ging de gang op en liep naar boven.

Langzaam, om de twee treden even rustend, ging hij de drie steile trappen op. Toen hij voor de deur van het zolderkamertje stond waar de duiven hun hok hadden, zuchtte hij even heel diep. Het was de eerste keer na al die weken van ziek-zijn dat hij weer boven was en zijn duiven weer zag. Zachtjes deed hij de deur open en knipperde met zijn ogen tegen het zonlicht dat door het grote raam naar binnen viel. Er kwam een lach over zijn gezicht en hij zei tegen zijn duiven: ‘Dag jongens, daar ben ik dan weer, hoe gaat het?’ De duiven fladderden wat heen en weer, in en uit. Ik een oogopslag zag hij dat Peter de duiven goed verzorgd had. Alles zag er netjes uit, zo netjes als het bij duiven tenminste kan zijn. Hij ging zitten op het bankje bij het raam en keek intens tevreden naar buiten. Duiven waren toch heel aparte beesten, dacht hij. Ze geven je zo’n vredig gevoel van binnen. Hij lachte in zichzelf, omdat hij ineens aan Peter moest denken. Op een avond, toen zij hier samen zaten, had Peter gevraagd: ‘Opa Bos, zijn dit nu allemaal vredesduiven?’ Hij had gelachen en gezegd: ‘Natuurlijk Peter, al mijn duiven zijn vredesduiven. Heb jij wel eens gezien dat een duif iemand kwaad doet?’

Plotseling schrok hij op. De deur ging open en daar stond Peter, hijgend van het harde lopen en de drie trappen. ‘Dag opa Bos, heb ik goed voor ze gezorgd?’ ‘Prima jongen, het kon niet beter. Nu weet ik dat het goed zal gaan met mijn duiven. Ach nee, ik vergis me, jouw duiven.’

‘Onze duiven, opa Bos. Ze blijven toch gewoon ónze duiven? Alleen wij zorgen verder voor ze. En als wij iets niet weten, dan kunnen we het zo aan U vragen. Maar, opa Bos, ik wilde eigenlijk nu ook al iets vragen. Ik had het al eerder willen doen, maar toen was U nog in het ziekenhuis. Meester zei toen dat ik er nog maar even mee moest wachten. Maar nu is het al gauw.’ ‘Wat gauw, wat bedoel je?’ ‘Volgende week is het vredesweek en dan hebben wij altijd een vredesfeest op school en we mogen dan allemaal leuke dingen doen. Toneelstukjes en we mogen op het schoolplein tekenen en we zingen ook een lied over de vrede. En nu hebben meester en ik een plannetje bedacht. Als we dan gaan zingen ‘Waar zou de stad van de vrede zijn?’, dan roepen meester en ik heel hard ‘HIER’ en dan laten we de duiven los.’ ‘O, nu begrijp ik het, je bedoelt déze duiven. Die wil je dan meenemen naar school in de mand. Maar dat is een prachtig plan, ik had het zelf kunnen bedenken.’ Lachend sloeg hij zijn arm om Peters schouders. ‘Ik wou dat ik op school ook zo’n meester had gehad. Hoe meer je met de vrede bezig bent, hoe beter het is. Maar nu moet ik naar beneden, anders krijg ik ruzie en dat zou nu toch echt niet kunnen.’

mailIcon print |