*

 

Kerstverhaal / Een Heilsoldaat voor Kerst

Joost van Velzen − 19/12/05, 18:08

In 1985 had Elton John een grote hit met Nikita. In de clip was Nikita een Slavisch meisje die de muur in Berlijn bewaakte. Ik wist niet dat Russische vrouwen zo mooi waren. Verliefd op Nikita nam ik Russisch als keuzevak.

Vier jaar later was ik rond kerst in Moskou, waar ik werd opgewacht door mijn persoonlijke reisleider Boris. Na enkele dagen reden we door de diepe binnenlanden van Rusland. We dronken iedere avond wodka en dan vertelde hij over de Russische ziel. “Het is een ziel die liever lijdt dan niks te voelen” huilde hij altijd aan eind van zijn verhaal. Ik huilde inmiddels iedere avond mee. Op kerstavond wilde Boris naar de kerk. Ik zei dat ik ongelovig was. Boris zei dat het daar niet omging, maar om het mysterie van de Russische ziel die innig was verbonden met de orthodoxe kerk. We gingen. Ik vond het mooi in de kerk. De mensen vond ik ook mooi. Alsof ze zo uit een Sovjet propaganda film kwamen. Maar waar die vaak weer onaantrekkelijk waren door hun overspannen socialistische heilsverwachting, waren de mensen in de kerk rustig en ingetogen. Hoewel ik niet was gedoopt, wilde ik ook de communie ontvangen.

Alsof ik de madeleine uit "A la recherche du temps perdu" had ontvangen. Toen ik terugliep, zag ik mijn beeldschone Nikita. Ze stond even verderop vroom kruisjes te slaan. Ik geloofde niet in wonderen, maar dit was wel bijzonder. Ik vertelde het Boris. Hij geloofde niet dat het toeval was. Na de dienst sprak hij haar aan. Ze heette Nadia en had nog nooit van Elton John gehoord. Ze was inderdaad niet mijn Nikita. Toch vertelde ik haar dat ik al vier jaar van haar droom. Ze moest lachen.

We werden verliefd. Zo hevig dat ze een paar maanden later bij mij woonde. We waren heel gelukkig. Toen bedacht zij dat we nog gelukkiger zouden worden als we voor de orthodoxe kerk gingen trouwen. Daar had ik geen trek in. Ik was ieder gevoel voor religiositeit weer kwijtgeraakt, laat staan dat ik zin had in een intensieve catechisatie. Het werd een gevoelig punt. Als we erover spraken kwam ik met allerlei atheïstische bezwaren, waarop zij zei dat ik ongevoelig en koud was. Rond kerst kregen we een fikse ruzie. Ze schreeuwde:

“Jij kunt wel roepen dat het leven een foenctie is van DNA. Maar iek voel geen DNA, iek voel dat God mij leven gheeft geschonken, en dat hij van mij ghoudt.” Met trillende lippen: “Iek voel dat Kriestoes mij troost als iek ongeloekkig ben.” Ze huilde en stortte zich op de bank. Ik ging er naast zitten en troostte haar. Ik zei dat ik misschien toch ook in God geloofde:

“Als ik nadenk, over de wereld, de zin van alles, dan voel ik me vaak zo alleen en kwetsbaar ‿ maar dan hoor ik altijd ergens een stemmetje in me dat zegt ‘maar ik ben er ook nog.’”

“Dat ies God,” zei ze blij. “Zie je wel‿ jij gelooft ook.”

Ze vleide zich tegen me aan.

“Ik vind het fijn dat ik je ook kan troosten” zei ik.

“Natuurlijk kan jij dat,” zei ze. “Jij bent mijn man!”

“Ja” zei ik “dat klopt.” Ik legde mijn arm om haar, en duwde haar hoofd met zachte dwang naar mijn kruis.

“Smierlap” schreeuwde ze.

Een paar dagen voor kerst vertrok ze. Uit twijfel bladerde ik wat in de bijbel. Bij Paulus las ik: “Het loon van de zonde is de dood, maar het geschenk van God is het eeuwige leven in Christus Jezus.” Het overtuigde me niet. Ik geloof niet in eeuwig leven, en onderwerping aan een gekruisigde. Ik moest denken aan Duitsland van voor de oorlog. Toen geloofden ze ook niet in dat suffe christendom. Ze geloofden in een soort oerheidendom. Ze zochten de ziel van de woeste en trotse Germaan. Wagner gaf hen die ziel met zijn Germaanse Messias Siegfried, en zijn wedergeboorte in kracht en genie. Ik zette Wagner op en raakte bezeten. Met wilde ogen ging ik naar buiten. Bij een stalletje kocht ik een hele bos kerstbomen, sleepte ze het park in en stak ze in brand. Naakt sprong ik als een gek om en over het vuur. In mijn hoofd hoorde ik Parsival luid schalmen, groots en majestueus. “Wagner” schreeuwde ik “Wagner woont in mijn borst.” Ik greep naar mijn geslachtsdeel, trok er wild aan en riep, “dit is de lans van Siegfried, beul van de Christenen en het Slavische ras.”

Inmiddels was de politie gewaarschuwd. Ik werd opgesloten en platgespoten. Na drie dagen, op tweede kerstdag, werd ik bezocht door Anja van het Leger des Heils. Ze was Hollands welvaren. Ze bleef me dagelijks opzoeken en sprak veel over God en Jezus. Onder de pillen kon ik me al die atheïstische bezwaren niet meer herinneren. Het enige wat me voor de geest stond was dat ik me toen niet goed voelde. Anja en ik werden verliefd. Later zijn we getrouwd. We zijn nog steeds bij elkaar en het gaat goed, want ik geloof nu wel in God. Hoewel ik ook nog onder medicatie sta.

mailIcon print |