Ze lopen door het donker en ze voeden zich met koude nachtlucht, in een ravijn met aan weerszijden een gele weerschijn van elektrische lichtjes. Een lange rij van lantaarnpalen lijdt hun de weg. Het is donker, en toch schijnen de lichten. Het is donker, want het is december, relatief warm, warmer dan vorig jaar. De koude lucht is een verademing na de zomer.
Beiden hebben ze handschoenen aan om zich te beschermen tegen te lage temperatuur, ter versterking van de sfeer van het nachtelijke uur en omdat het december is. En, niet te vergeten, om een kerstboom te halen, want anders steken dennennaalden hun handen lek, wanneer zij de stam omvatten willen.
Daar lonkt de feestverlichting, aan het einde in dat dal, op dat plein. De wandeling loopt op zijn einde. De goudenregenrivier is vol bedrijvigheid. Golven beuken zich al toeterend een weg door de bedding, maar wijken angstig uiteen wanneer daar een kronkelige boomstam komt aandrijven die zijn route niet zelf beïnvloeden kan omdat hij geleid wordt door twee metalen slangen. Gillend en schurend draait de stam door de bocht. De twee doorwaden gauw de rivier.
In een met olie vervuilde plas zit niets dan dat waar hij uit bestaat, maar wanneer een van hen er z’n blik op richt ziet hij een licht dat van elders komt. Het is een rode weerschijn, een bloedrode moorddadige gloed van boven, het is het licht in de duisternis dat sommigen gezellig vinden. Feestverlichting.
Ze naderen het enige groene plekje in die hele cultuur die zij tot dan toe bewandelden. Coniferen steken af tegen de lucht en elkaar. Enkele bomen zijn gevangen in netten, alsof het bijzonder gevaarlijke beesten zijn, waar de bezoeker tegen beschermd moet worden. In het midden van het dal staat een caravan die tevens het middelpunt van al die bomen is. Angelsaksische muziek trilt verscheidene boxen uit en baant zich een weg door vele naalden, op zoek naar een open vlakte om zich daar een echo aan te meten, tot een echt geluid te volgroeien. Tevergeefs, de hoekige bergen absorberen ieder geluid en zijn te gierig om een weerkaatsing vrij te geven.
De caravan is overbevolkt met vrouwen en kinderen. Het is niet duidelijk wat ze aan het doen zijn. Waarschijnlijk proberen ze het zich zo gezellig mogelijk te maken in die kleine ruimte, of maken ze ruzie? De mannen zitten voor de caravan bij een vuur, onbekende dingen te bespreken waar ze prompt mee ophouden wanneer de twee lopers hun kamp binnenstappen. Zijn deze mensen zo bijzonder happig op klandizie, of bespraken zij iets dat het daglicht niet velen kan, hoogstens onder feestverlichting besproken mag worden? Enthousiasme is verdacht. Waarom is een glimlach nodig om een klant ervan te overtuigen dat het product goed is?
Ja, de twee willen een kerstboom. Waarom? Als gezelschap, want kerstbomen zijn gezellig en gezellig is ‘met lotgenoten’ en dus zal de kerstboom hun lotgenoot worden, zodat zij toch nog een beetje gezellig kunnen schijnen.
De weerschijn van de wilde, grillige flakkeringen van het vuur wekt de suggestie dat sommige delen van de caravan beschaduwd zijn, terwijl als het vuur er niet was geweest, die delen dan even belicht zouden zijn, echter zonder de naam schaduw te dragen. Schaduw: relatief, beperkt tot de waarneming van één persoon. Schaduw: gebrek aan licht, gebrek aan iets wat elders wel bestaat. Licht wil men hebben, de duisternis wordt gemeden. Terwijl het licht in gebreke blijft spreekt men van schaduw, maar wanneer er te weinig duisternis is ziet men het gebrek niet. Waar is de tastbaarheid van de duisternis? Is licht dan echt iets, en duisternis niets?
De twee vinden niet dat de basis van alles een duisternis van niets is, waar íets sporadisch in ontstaat. Nee, de duisternis is het iets, af en toe verdrongen door iets brandend ‘niets’.
De terugweg in een voertuig, de felle koplampen staan aan. Tegenliggers worden verblind en rijden langzaam.
De mensen van de kerstboomverkoop hadden voorgesteld de kerstboom te brengen, want de terugweg is bar, lang en koud. De twee hebben toegegeven, de een besloot zijn beleefde tegenwerpingen achterwege te laten, de ander zijn trots.
Nu zitten ze in de achterbak, zwijgend tezamen met hun in netten gehulde kerstboom. Het landschap is bezaaid met hobbels, wier reliëf tot langzaam rijden noopt. De nachtelijke natuur zweeft hortend en stotend voorbij, genietend van hun schaduw, terwijl de sterren gaten prikken in de hemelkoepel, een raamwerk dat spoedig weer bedekt zal zijn met een gordijn van licht.
En thuis gekomen tuigen zij hun kerstboom op, met vele ornamenten. Klokjes voor het geluid en de tijd, ballen omdat het perfecte bollen zijn. Een stam, een kern van onbekende hoedanigheid -hetzij iets, hetzij niets- die de boom in stand houdt. Een piek, voor het streven om iets te bereiken, het ideaal, het toppunt van het onbekende. Naalden, de obstakels die het leven richting top bemoeilijken. En de lichtjes? Ten slotte vele lichten, elektrische kaarsjes, brengers van contrast, en zij staan aan!
De twee, complement van de wereld, twee gelijken, nastrevers van het paradoxale, haten licht en laten het dus bestaan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.