Zeker eens per jaar is het raak. Nu eens roept een pedagoog dat crèches heel slecht zijn, dan weer beklaagt een spiritueel toegewijde zich over de masculinisering der vrouw, en dezer dagen lees ik overal dat het emancipatiebeleid hoon verdient omdat het te weinig rekening houdt met de ’diepgewortelde verschillen’ tussen de seksen.
De aanklacht komt uit het pas verschenen boek ’Wie wil er nog moeder worden?’ van de hoogleraren Christien Brinkgreve en Egbert te Velde. Volgens de auteurs redeneert de overheid met haar pogingen vrouwen aan het werk te krijgen uitsluitend vanuit, o foei, economische motieven.
Het ’combinatiemodel’ is mislukt, vinden zij. De overheid jaagt een illusie na door te denken dat ouderparen vanzelf wel de taken zullen verdelen. Vaders, weten zij, wíllen helemaal niet stofzuigen. En moeders wíllen geen carrière maken.
„Voor verreweg de meeste vrouwen staat het moederschap nummer een”, zeiden de auteurs in de Volkskrant. „Ze werken wel graag, maar ze doen het er doorgaans een beetje bij. Voor mannen is het precies andersom. Als we dat feit blijven negeren, doen we onszelf en vooral de vrouwen tekort.”
Het is, met permissie, op het beledigende af. Alsof er één fatsoenlijke vader rondloopt voor wie het vaderschap niet nummer één staat. Alsof toewijding aan je werk per definitie toewijding aan je kinderen uitsluit. En alsof moederschap per definitie betekent dat je andere taken niet al te serieus neemt. Het is precies deze redenering die vrouwen eeuwenlang succesvol van de arbeidsmarkt heeft weten te weren.
Maar ja. Zo’n boodschap horen wij in Nederland nu eenmaal reuze graag. Niet voor niets bungelt dit land in alle internationale emancipatielijstjes onderaan. Heeft mama een baan, dan dient ze gekweld door het leven te gaan. Ze dient minimaal te zuchten onder wat de ’dubbele belasting’ heet. En zeker moet ze zich schuldig voelen over hoezeer ze haar kinderen tekortdoet. Haar periodieke afwezigheid, luidt het niet eens zo subtiele bericht, kan tot schade leiden aan de kinderziel.
Onzin, natuurlijk. Nog maar één generatie geleden moest het kind zijn moeder delen met een arbeidsintensief huishouden én een stoet broertjes en zusjes. Helemaal niet erg. Langzaam begrijpen dat je niet het centrum van het universum bent, kan beslist geen kwaad. Tegenwoordig delen kinderen hun moeder met haar betaalde baan. Zo dramatisch anders is dat niet. En zo dramatisch slechter al helemaal niet.
Uiteraard wijzen de beide hoogleraren het feminisme aan als de hoofdschuldige voor de misstanden. Het maandblad Opzij heeft er, kort samengevat, voor gezorgd dat de overheid nu de ’diepgewortelde’ sekseverschillen negeert.
Gelukkig wel, zou ik zo zeggen. Je hoeft alleen maar naar de vrouwengeneraties vóór je te kijken om dankbaar je zegeningen te tellen. Zonder dappere eenlingen als Joke Kool-Smit – deze week trouwens precies een kwarteeuw geleden overleden – had ons bestaan er precies zo uitgezien. Natuurlijk, we hadden naar school gekund, wellicht nog wat jaartjes mogen doorleren. En dat was het dan.
Sinds een jaar of dertig leven wij in een weelde waarvan pakweg driekwart van de vrouwen op deze wereld alleen kan dromen. Geen opleiding of we mogen haar volgen, geen beroep of we kunnen het uitoefenen – zonder dat we het moederschap ervoor hoeven opgeven. Zeker niet nu de politiek eindelijk lijkt te beseffen dat kinderopvang geen privé-zaak mag zijn. En nu de man die op zondag het vlees kwam snijden vrijwel is uitgestorven.
Eindelijk kunnen we, zoals Henriëtte Roland Holst het al in 1914 formuleerde, ’moeder én geheel mensch’ zijn. En zij was, voor de goede orde, géén feministe.
Er is niets wat ons tegenhoudt. Behalve misplaatste schuldgevoelens. En hooggeleerden die ons het malle sprookje van de dubbele belasting maar blijven inpeperen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.