*

 

Bijzonder onderwijs / ’Het kan zelfs bij een wiskundeles over God gaan’

door Harriët Salm − 20/09/06, 19:36

Zijn bijzondere scholen nog wel bijzonder? Lerarenopleider Ronald de Graaf vindt dat veel protestants-christelijke en rooms-katholieke scholen hun identiteit verbergen. „Juist op de bijzondere scholen ligt de kans voor een religieus reveil.”

Geschiedenis- en godsdienstleraar Ronald de Graaf (45) is er veel tegengekomen: docenten die op een christelijke of rooms-katholieke school werken, maar niets met die religieuze achtergrond doen. Wat hem betreft kan die identiteit in ieder vak aan de orde komen, of dat nu gym, wiskunde of Duits is. „En ook buiten de les: in de opvang, op het schoolreisje”.

Het verbaast De Graaf, zelf docent op de lerarenopleiding van de Christelijke Hogeschool in Ede, dat sommige confessionele scholen een ongelovige rector hebben. ,,Zo iemand geeft leiding aan het hele team en gaat niet voor de identiteit van de school? Het verwateren van het bijzondere van het bijzonder onderwijs gaat zo wel heel gemakkelijk.”

Om die verwatering tegen te gaan, vroeg hij veertig basisschoolleraren, vakdocenten en andere onderwijsexperts, op te schrijven hoe zij in hun lessen religie ter sprake brengen. De bundel ’Bijzonder onderwijs: Christelijk geloof in de dagelijkse praktijk van basis- en voortgezet onderwijs’ verschijnt vandaag bij uitgeverij Boekencentrum uit Zoetermeer.

De Graaf, zelf gereformeerd en lid van de PKN, heeft zich daarbij vooral gericht op de protestants-christelijke scholen, slechts één auteur is rooms-katholiek. Over de kleine groep islamitische of joodse scholen, ook deel van het confessioneel bijzonder onderwijs, gaan de artikelen niet.

Hij vindt niet dat iedere docent op een christelijke school christen moet zijn, legt hij uit boven een kop koffie in de Utrechtse stationsrestauratie. Maar wel een zo groot percentage dat de school de identiteit kan waarmaken, vervolgt hij.

De serveerster die even aan haar chef gaat vragen of de klanten ook cafeïnevrije koffie kunnen krijgen, inspireert hem. „Zij is net als de docent van een bijzondere school: ze weet niet eens wat er in huis is.”

Juist de bijzondere scholen zijn de plek in de samenleving waar een religieus reveil zou kunnen ontstaan, schrijft De Graaf zelf in de inleiding. „Er ligt een kans voor het oprapen”, legt hij uit. „Alle kinderen gaan naar school: rijk en arm, slim en minder slim, uit fijne gezinnen, uit gebroken gezinnen. En kinderen zijn metafysisch, staan open voor religie, ook pubers zijn zeer in zingeving geïnteresseerd. Maar kinderen voelen ook haarfijn aan of je waarachtig bent. Dus als je gaat bidden en je dreunt maar wat op, dan inspireer je ze niet. Vandaar dit boek: praktische raadgevingen aan docenten over hoe ze met kinderen over God in gesprek kunnen komen.”

Dat gebeurt tegenwoordig zelfs in de godsdienstles te weinig. De Graaf belde scholen op zoek naar schrijvers voor zijn boek en vroeg dan naar de godsdienstleraar. „Op sommige middelbare scholen bleek die er helemaal niet meer te zijn. En bijvoorbeeld op een zwarte vmbo in Amsterdam juist weer wel: en wat een geweldig onderwijs die twee docenten daar gaven. Ze werkten met video’s die de kinderen, bijna allemaal moslim, zelf maakten. Daar werd wél gesproken over religie.”

Er zijn heel wat vakdocenten die op een bijzondere school lesgeven, maar op een openbare school de lessen niet anders zouden inrichten, stelt hij. „Leraren weten vaak ook niet hoe ze hun identiteit in hun les laten doorschemeren, daar hebben ze meestal nog nooit over nagedacht.”

Zwemt De Graaf met zijn oproep tot een nieuwe christelijke beweging, die vanuit de protestantse en rooms-katholieke scholen geleid kan worden, niet erg tegen de stroom in? Zo hoort bijna twee derde van de Nederlandse scholen nu nog wel tot het bijzonder onderwijs, ooit voortgekomen uit de protestantse en katholieke zuil. Maar, toonde het Sociaal en Cultureel Planbureau onlangs aan, steeds minder mensen in Nederland behoren tot een christelijk kerkgenootschap. En over 25 jaar zijn de protestanten zelfs tot een zeer kleine groep teruggebracht, zo is de voorspelling.

De komst van islamitische basisscholen in Nederland heeft bovendien het debat aangewakkerd over het nut van artikel 23 in de Grondwet, dat gelovigen het recht geeft met overheidssubsidie een school voor hun kinderen te stichten. Daarmee hebben ook islamitische basisscholen bestaansrecht, terwijl die scholen volgens veel politici onwenselijke bolwerken van armoede en niet geïntegreerde kinderen zijn.

Is er nog wel bijzonder confessioneel onderwijs over vijfentwintig jaar? „Reken maar”, zegt De Graaf. „Dit boek is niet geschreven omdat ik bang ben voor het voortbestaan van het protestants-christelijke en rooms-katholieke onderwijs, daar is geen reden voor. Het zijn goede scholen, waar ouders hun kinderen graag naartoe sturen, dat blijkt wel, want ze zitten nog altijd vol. Ze hebben blijkbaar iets extra’s, ze staan voor kwaliteit, voor normen en waarden, waardoor ook niet-christenen ze verkiezen boven het openbaar onderwijs.”

Moeten deze scholen dan meer evangeliseren? Dat gaat De Graaf weer te ver, het zou ouders ook kunnen afschrikken. „Het gaat mij erom dat je God ter sprake brengt. Iemand die christen is, zou zich daarvoor ook moeten inzetten. Nu gebeurt het vaak alleen in de gods-dienstles. En ook nog met een zin als: Jongens, er zijn mensen die in God geloven. Zo interesseer je de leerling niet. Je moet gewoon zeggen: Ik geloof in God. Dan mag de reactie van de leerling natuurlijk zijn: Ik niet. Maar dan gaat het al over religie. Dus ik pleit voor radicaal zijn, maar niet fundamentalistisch. Je moet kinderen inspireren, maar je moet ze het geloof niet opdringen.”

mailIcon print |