De Tweede Kamer kreeg gisteren een Zwartboek tegen pesten op school aangeboden. ’Pestexpert’ Bob van der Meer schreef het voorwoord. „Als de school niet optreedt, stap dan naar de pers."
Het is heel erg moeilijk, zegt psycholoog Bob van der Meer, om als ouder te zien of je kind gepest wordt. Het zijn dan ook de scholen die nu, aan het begin van het schooljaar, aan zet zijn om dit ernstige probleem aan te pakken, vindt hij.
Circa 65 procent van de kinderen in het basisonderwijs en 90 procent in het voortgezet onderwijs vertelt thuis niet dat het gepest wordt, bleek al in 1992 uit een landelijk onderzoek naar pesten. In het basisonderwijs werd een op de vier kinderen gepest, in het voortgezet onderwijs een op de 16. „Een dergelijk landelijk onderzoek is jammer genoeg nooit herhaald, maar dat het probleem nog altijd zeer ernstig is, dat is wel zeker”, zegt Van der Meer.
Ouders moeten alert zijn op signalen die op pesten wijzen, omdat kinderen het vaak niet direct aan hen vertellen. De kinderen schamen zich omdat anderen hen stom vinden, of ze vrezen dat erover praten het alleen maar erger zal maken. „Vaak hebben deze kinderen wel psychosomatische klachten: hoofdpijn, buikpijn, bedplassen, nachtmerries, niet naar bed willen, geen eetlust. Ook willen ze vaak niet meer naar school, verzinnen allerlei uitvluchten.”
Of de kinderen gaan bijvoorbeeld steeds heel laat naar school en zijn heel vroeg weer thuis. „Je hoort over kinderen die hijgend thuiskomen, omdat ze achtervolgd worden, of denken achtervolgd te worden. Ze proberen zo kort mogelijk op het schoolplein te zijn.”
Internet en sms zijn bekende nieuwe ’pestmiddelen’. „Kinderen van deze tijd gebruiken middelen van deze tijd. Maar of je nu een briefje in de bus krijgt of een e-mail, dat maakt eigenlijk niet uit: pesten is heel schadelijk.”
Pesten omschrijft Van der Meer als het systematisch uitoefenen van fysieke of psychische mishandeling door een of meerdere individuen op een persoon die niet in staat is zich te verdedigen. Dat is iets heel anders dan plagen, vindt Van der Meer, waarbij het slechts om incidenten gaat. Bij plagen is de machtsverhouding tussen plager en geplaagde gelijk. Bij pesten is de machtsverhouding ongelijk.
Zijn eerste advies aan ouders bij de start van het nieuwe schooljaar: let op of er veranderingen optreden in het gedrag van je kind. Zijn die er, dan moet je het kind vragen wat er aan de hand is. „Vertelt het kind dat het gepest wordt, wimpel het niet weg, maar neem het serieus”.
Ga vervolgens naar de school, luidt zijn advies. „Vertel de leerkracht of de mentor over de signalen en vraag of hij of zij heeft gezien dat er gepest wordt. Een probleem is dat leerkrachten dat vaak niet doorhebben; ze weten er weinig van, kennen de signalen niet. Andere kinderen uit de klas weten het wel, maar zij vertellen het niet, uit angst voor verklikker te worden uitgemaakt.”
Ouders moeten daarom ook naar de oudervereniging of de medezeggenschapsraad om te zorgen dat er schoolbeleid komt tegen pesten. „Dat klinkt misschien wat truttig, maar het is heel goed als alle geledingen in de school het recht van de ouder erkennen om naar de school te komen als een kind gepest wordt en van de school te eisen dat er actie ondernomen wordt.”
Die actie bestaat er onder meer uit dat de pester op heterdaad betrapt wordt. Op de basisschool moet de leerkracht of de conciërge extra op gaan letten bij een verdenking van pesten. „Iemand op school moet het zien gebeuren en dan ingrijpen. Dan krijgt namelijk het kind noch de ouders het verwijt geklaagd te hebben, en wordt de dader gepakt.”
In het voortgezet onderwijs moet de ouder bij pestsignalen naar de mentor of mentrix van de klas gaan, vervolgt hij. Ook daar moeten de pesters op heterdaad betrapt worden om effectief in te kunnen grijpen. En ook daar moeten ouders vooral zorgen dat er een helder anti- pestbeleid op school komt.
Van der Meer heeft onderzoek gedaan op scholen naar wat werkt tegen pesten. In het basisonderwijs helpt het als kinderen uit de groepen vier tot en met acht, zelf regels opstellen over de omgang met elkaar. „Die moeten in het lokaal worden opgehangen en de ouders moeten een kopie meekrijgen.”
Voor de kleuters en groep 3 is dit nog te moeilijk. „Daar moet de leerkracht de regels maken, met pictogrammen, en eveneens in de klas ophangen. De omgang tussen de leerlingen verbetert, maar wel alleen als de regels elke week weer even aan de orde gesteld worden.”
In het voortgezet onderwijs geldt hetzelfde: leerlingen stellen met elkaar de regels op bij de start van het schooljaar en een kopie gaat in de klassenagenda, zodat iedere docent kan zien welke regels zijn afgesproken.
„Dit is een goede manier om normen en waarden, zoals premier Balkenende wil, aan de orde te stellen. Elke leerling en elke docent wil zich graag veilig voelen op school; dat is een goed uitgangspunt. Om dat te garanderen, kan bepaald gedrag niet. Ik heb dat in veel klassen uitgeprobeerd: kinderen praten heel helder over wat ze wel en niet goed vinden. En vaak zijn ze opgelucht dat dit aan de orde komt. Er komen afspraken over: geen schuttingtaal gebruiken, geen bijnamen voor elkaar, geen pesterige opmerkingen.”
Maar nog weinig scholen doen aan dit soort preventieve maatregelen. Als de ouders van een gepest kind vervolgens ook geen gehoor vindt bij de school, raadt Van der Meer hen aan het kind van school te halen. „Ga naar een school waar wel goed beleid is. Ik heb geregeld teruggehoord: mijn kind is op de nieuwe school weer opgebloeid.”
Ook het zoeken van publiciteit, kan helpen, denkt hij. Scholen zijn bang voor een negatief imago. Slechte verhalen kunnen hen aanzetten eindelijk wat aan pesten op school te doen. „Bovendien kan extra aandacht ertoe bijdragen dat er eindelijk landelijk helder beleid komt tegen pesten op school.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.