Het kabinet, het moet gezegd, verstaat de tekenen des tijds. Toen de minister van onderwijs vorig jaar de commissie installeerde die de historische canon moest vastleggen, klonk er nog alom hoon. Nu het ding op tafel ligt, hoor je niets dan lof.
Nou ja, Marco Pastors moppert wat over de afwezigheid van Pim Fortuyn. Dat Johan Cruijff ontbreekt, schijnt deze en gene ook nogal te storen. Maar het hevige debat blijft tot dusver uit.
Die vriendelijke ontvangst is natuurlijk de verdienste van de commissie-Van Oostrom, die kwam met een glashelder, fris geschreven betoog, en met weloverwogen keuzen. En die tegelijkertijd de kwestie van de nationale identiteit handig wist te omzeilen.
De minister van onderwijs had daar, op advies van de Onderwijsraad, expliciet om gevraagd. Nederland-in-de-war heeft volgens haar ’een nieuw verhaal’ nodig om zijn identiteit te hervinden. De canoncommissie liep er met een grote boog omheen.
Heel verstandig natuurlijk, om het allergevoeligste onderwerp uit de weg te gaan. Maar de motivatie klonk wél wat magertjes.
Van Oostrom en de zijnen vinden ’nationale identiteit’ in de internationale, multiculturele wereld van vandaag ’een bedrieglijk, ja gevaarlijk begrip’.
Hoezo? Identiteit is wie je bent. En je bent wie je bent, óók door wat er in het verleden met je is gebeurd – ten goede en ten kwade. Dat geldt voor Frits van Oostrom, voor minister Maria van der Hoeven, voor u en mij, voor deze krant, voor Nederland. Identiteit is hooguit een uiterst complex begrip. Maar wat is er mis mee? En vooral, wat is er bedrieglijk en gevaarlijk aan?
De afkeer van de commissie verraadt misschien wel vooral dat het ons in Nederland nog steeds niet lukt om met droge ogen naar het eigen verleden te kijken. Nuchter is het nooit, moreel beladen altijd.
Onze voorouders beschouwden de nationale geschiedenis als een staalkaart van reuze heldhaftige daden. Sinds pakweg een halve eeuw doen wij, even onzinnig, precies het omgekeerde. Het nationale verleden is tegenwoordig geen bron meer van trots, maar van schuldgevoel. Want al hebben we het calvinisme zoetjesaan afgeschaft, we gedragen ons nog steeds alsof we collectief met de erfzonde zijn belast. Voor de ongerechtigheid der vaderen dienen wij, kort samengevat, ons te schamen tot in het zoveelste geslacht.
Aan bijvoorbeeld het slavernijverleden, aan het hele koloniale tijdperk, mogen wij slechts terugdenken met blossen op de wangen en gebogen hoofd. Als gevolg daarvan verliezen wij niet zelden het gezonde verstand.
Zo gaven we decennialang miljarden uit aan ontwikkelingshulp, zonder dat we daar noemenswaardige eisen tegenover durfden te stellen – alleen omdat onze voorvaderen niet van die lieverdjes waren geweest. Het heeft de nazaten van de slachtoffers bitter weinig vooruitgeholpen.
Mij lijkt het vele malen vruchtbaarder om te streven naar een zakelijke kijk op onze voorouders. En de moraal te bewaren voor de daden waarvoor alleen wijzelf verantwoordelijk zijn. Daar hebben we, als het goed is, de handen al meer dan vol aan.
En wie maar blijft worstelen met zijn verleden, elke therapeut weet het, kan ook in het heden weinig aangenaams ontdekken.
Lekker roepen dat wij nog steeds ’een angstig en opportunistisch volkje’ zijn, zoals Martin Bril dinsdag deed in de Volkskrant – dat gaat er altijd in. Erop wijzen dat wij leven in een vrije, democratische rechtsstaat waar al eenenzestig jaar en vijf maanden vrede heerst, niemand van de honger hoeft om te komen, vrouwen alle rechten hebben en elk kind naar school kan – het geldt als hoogst ongepast.
Trots en schaamte zijn beide even hinderlijk. Ze vertroebelen de blik op wat er werkelijk is gebeurd. En ze maken dat niemand meer kan uitleggen waar Nederland nu voor staat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.