*

 

Manuscripten / De sleutel tot de schrijver

Door Sandra Kooke − 18/10/06, 22:00

Veel schrijvers hebben een ’oerboek’, waar ze lang mee worstelden, maar dat nooit werd uitgegeven. Dankzij twee onderzoekers kunnen lezers nu van deze manuscripten kennisnemen.

De term ’oermanuscript’ is een prachtig voertuig voor de fantasie. Het suggereert stapels met de hand beschreven, aangevreten papier, half vergane dozen waarin moeizame oefeningen en onverwachte meesterwerken zijn weggeborgen, die de diepste gevoelens van de schrijver prijsgeven. Heel veel schrijvers hebben zo’n oermanuscript of ’oerboek’. Het zijn werken die om een of andere reden de weg naar de uitgever niet hebben gevonden, maar die cruciaal zijn geweest in de ontwikkeling van de schrijver.

Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich, beiden letterkundige, zijn gefascineerd door dergelijke oerteksten van schrijvers. Ze zijn er daarom naar op zoek gegaan. Deze week verschijnt het tweede deel in hun serie oerboeken, dat gewijd is aan Jeroen Brouwers.

Wat een oerboek precies is, is moeilijk te zeggen. Bij de ene schrijver is het een nooit uitgegeven jeugdwerk, bij de ander een verzameling aantekeningen en vingeroefeningen die als voedingsbodem voor andere werken heeft gefungeerd. Bij weer een ander gaat het om het ultieme boek, waar een leven lang aan werd gewerkt maar dat nooit afkwam. Zo schreef Gerard Reve nooit ’Het boek van Het Violet en De Dood’ en is het wachten nog steeds op Harry Mulisch’ ’De ontdekking van Moskou’.

Kuitert: „In elk geval is het een manuscript dat dichter bij de schrijver staat dan bij de lezer. Dat is meteen de charme ervan. In een oermanuscript kijk je de schrijver op de vingers. De auteur puzzelt en boetseert hierin. Je ziet de worstelingen, de fouten, de beginnersproblemen. Daarom krijgen lezers het doorgaans niet te zien en geven schrijvers het moeilijk uit handen. Het wordt ook vaak verbrand.”

Toch ligt op het bureau van Kuitert een beduimeld en vergeeld schriftje, waarin het keurige handschrift van Jeroen Brouwers is te zien. Het is een van de schriften die Brouwers volschreef toen hij in een diepe crisis verkeerde. Brouwers woonde begin jaren zeventig in een klein boshuisje, dronk en schreef op wat er door hem heen ging. Op krantenpapier, op boterhamzakjes, op losse snippers. Daarna schreef hij alles over in een onbedrukt demonstratiemodel van het verzameld werk van Jan Walravens. Dat was geen toeval. Walravens was de vader van Brouwers’ ex-geliefde Anne, die later zelfmoord pleegde. Deze liefde en de zelfmoord werden een trauma dat in het hele oeuvre van Brouwers terugkomt. De stukjes waaruit dit manuscript bestaat, komen vaak letterlijk terug in andere boeken van hem.

Brouwers’ manuscript, door hemzelf ’Midden in de reis door mijn leven’ getiteld, staat centraal in de bundel die Rotenstreich en Kuitert hebben samengesteld. Rotenstreich: „Het is meer een mentale zoektocht dan een afgeronde roman. Maar als je dit leest, kom je dicht bij het schrijfproces van Brouwers. Je ziet hoe zijn werk tot stand komt.”

Zoals gezegd hebben veel schrijvers een oerboek. Van Hella Haasse’s oerteksten, getiteld ’Een doolhof van relaties’ maakten de beide letterkundigen al in 2002 een boek. Na Brouwers moet nu Simon Vestdijk volgen.

Verder hebben de twee wetenschappers het oog laten vallen op Cees Nooteboom, die een deel van zijn vroegere manuscripten heeft verbrand, maar nog genoeg over heeft. Daarnaast willen ze aan de slag met Harry Mulisch en Gerrit Komrij, die ooit een doos met oermaterialen heeft afgeleverd bij het Letterkundig Museum. Ook het oerboek van A. F. Th. Van der Heijden moet te zijner tijd uitkomen in de serie. In zijn geval gaat het om een compleet boek. Hij schreef het op twintigjarige leeftijd met zeer ambitieuze bedoelingen. Van der Heijden: „Ik ging er toen vanuit dat je een boek moest schrijven waar alles in stond. En dan ging je de rest van je leven rentenieren en in een wit pak langs de grachten flaneren. Als iemand dan zei: ’Ach jongen, schrijf nog eens een boek,’ dan zou ik zeggen: ’Alles staat al in mijn boek’.”

Van der Heijden schreef ’Kermis in de hel’, stuurde het naar een uitgever en kreeg het weer terug. Hij keek er nooit meer naar om, uit angst om beginnerstics en kinderachtigheden aan te treffen, maar nu voelt hij voldoende afstand om met een soort vertedering naar zijn jeugdzonde te kunnen kijken. „Ik vind het geen bijzonder goed boek. Toch ga ik er steeds meer van houden vanwege de ambitieuze opzet. Ik verwerkte er de hele geschiedenis tot aan het begin van de evolutie in. Godzijdank verkeerde ik toen nog in onwetendheid over de beperkingen die je een roman moet opleggen. Het kon me niet gek genoeg. Dat is nu juist de charme van dit oerboek. Ik zal het nooit als nieuwe roman willen uitgeven. Maar als het als ’archeologische opgraving’ wordt gepresenteerd, vind ik het goed.”

Ook Marcel Möring heeft een oerboek, al heeft hij die term er nooit voor gebruikt. „Het is een aantal teksten – een pagina of vijftig, zestig – die bij elkaar horen, en waarvan ik al dertig jaar denk dat het een roman gaat worden. Elke keer als ik aan een nieuw boek begin, neem ik me voor het te schrijven. Maar steeds wordt het iets anders. Ook voor mijn nieuwe roman ’Dis’, waaraan ik de afgelopen negen jaar heb gewerkt, ben ik teruggekeerd naar deze oertekst. Ook deze keer is het gedroomde boek er niet gekomen. „Het materiaal is het zuurdesem van mijn werk: het brengt allerlei andere boeken voort.”

Möring kan niet zeggen wat het thema van deze kerntekst is. „Het bestaat alleen uit beelden, het is een atmosferische diashow. Wat me steeds aantrekt, is de lege vlakte die het suggereert. Het heeft alle mogelijkheden die ik als zeventienjarige, toen ik op mijn kamertje begon met schrijven, in een boek wilde leggen.”

Het is geen tekst om nu uit te geven, meent hij. „Het is zo onaf, zo ongevormd. Ik ben de enige die er wat in kan herkennen. Het is meer iets voor als ik dood ben.” Andermans oerteksten leest hij echter graag en daarom vindt hij de serie oerboeken een mooi initiatief. „Als je van een bepaald oeuvre houdt, is het heel interessant om te kunnen zien waar het uit voortkomt. Van Samuel Beckett en James Joyce zijn na hun dood dergelijke onaffe teksten uitgebracht waarin je de kern van hun schrijverschap aantreft. "

Nelleke Noordervliet bekende enkele jaren geleden in een geestige bijdrage aan het literaire tijdschrift Maatstaf dat ze geen oerboek had. En dat ze vreesde dus geen groot schrijver te zijn, aangezien de grote schrijvers allemaal zo’n spannende kist met geheime manuscripten hadden, waaraan hun hele oeuvre ontsproot.

Zo’n belangrijk beoordelingsmechanisme is het oerboek niet. Toch vermoeden Kuitert en Rotenstreich dat oerboeken met name aangetroffen zullen worden bij schrijvers die schrijven als tweede natuur hebben en niet bij mensen die op latere leeftijd boeken zijn gaan schrijven. Ook verwachten ze niet dat elk oerboek even belangwekkend zal zijn. Kuitert kan zich niet voorstellen dat het eventuele oerboek van bijvoorbeeld Heleen van Royen interessant zal zijn. „Haar manier van componeren is niet zo boeiend.”

Ook Möring denkt dat vooral literaire schrijvers decennialang oerboeken op de plank hebben liggen en niet de schrijvers van commerciële fictie. „Die laatsten hebben de polsslag van de tijd als uitgangspunt. Ze schrijven doelgericht. Literaire schrijvers zijn meer bezig met de vorm dan met de inhoud.”

Jeroen Brouwers, In het midden van de reis door mijn leven. Oerboek. Uitgeverij Atlas, 2006, ISBN 10 90 450 1596 5.

Het Letterkundig Museum organiseert vandaag een symposium over ’oerboeken’, onder de titel ’Het boek dat er nooit kwam maar altijd aanwezig is gebleven’, meer informatie is te vinden op: www.letterkundigmuseum.nl.

mailIcon print |