*

 

Drayer / Wij vonden het ongepast om de leerlingen onze dubieuze westerse normen op te leggen.

door Elma Drayer − 14/06/06, 20:57

Eens per week kwamen ze met de tram naar een herenhuis in Amsterdam, waar wij ze inwijdden in de geheimen van de Nederlandse taal en cultuur. Wij waren vrijwilligers, zij vluchtelingen. Ons achtkoppige klasje bestond voornamelijk uit Afrikanen.

Lesmateriaal was destijds, eind jaren zeventig, niet voorhanden. Dat knipten we zelf, uit kranten en tijdschriften. De lesuren, herinner ik me, gingen heen met veel conversatie, afgewisseld door grammaticale weetjes. Eén keer maakten we een uitstapje, de vrolijke rondvaartbootfoto heb ik bewaard: de vrouwen gehuld in dikke jassen, gebreide mutsen op, de mannen met indrukwekkende afrokapsels.

Dat de lessen nimmer op tijd konden beginnen, accepteerden wij met culturele eerbied. Wij vonden het ongepast om de leerlingen onze dubieuze westerse normen op te leggen. Wij waren een en al welwillendheid. Aan onze begripvolle hand, was de onuitgesproken gedachte, zouden zij vanzelf thuisraken in dit tolerante land.

Het effect was precies omgekeerd. Na een maand of wat kwam de klad erin. Het klasje schrompelde gestaag ineen, tot uiteindelijk ook die ene trouwhartige het voor gezien hield. Zo sneefde, ver vóór het einde van het schooljaar, onze inburgeringscursus avant la lettre. De vluchtelingen waren niet thuisgeraakt, maar uit zicht. Door onze goede bedoelingen, ben ik bang.

Niet zo vreemd, besef ik nu. In plaats van het klasje te behandelen als de volwassenen die ze waren, ontzagen wij ze, als betrof het een heel bijzondere mensensoort. Het was paternalisme, bijna onherkenbaar verpakt in respect.

Daarmee voegden wij ons gehoorzaam in het heersende politieke klimaat. Behalve een enkele griezel van extreem-rechtse snit, durfden de meeste politici hun vingers niet aan het vraagstuk te branden. Bijna iedereen dacht dat het vanzelf wel goed zou komen met de nieuwkomers. Pas toen de paarse kabinetten aan de macht kwamen, was er een kentering te bespeuren. Welbeschouwd is het huidige kabinet nog steeds bezig de rommel van decennia halfslachtig beleid op te ruimen. Dezer weken probeert minister Verdonk een wetsvoorstel door het parlement te loodsen dat inburgering verplicht stelt. Vooralsnog tevergeefs. De Kamer, las ik gisteren, vindt de juridische onderbouwing ’te mager’. En als de wet er al doorkomt dan zal zij, zeggen ingewijden, een bureaucratisch monstrum zijn, vanwege de vele politieke compromissen die gesloten moesten worden. Bovendien houdt het kabinet ook nu weer de hand op de knip – en dat is al evenmin veelbelovend.

Merkwaardig trouwens dat Nederlandse wetgeving rond allochtonen steevast strandt in onuitvoerbaarheid. Pijnlijkste voorbeeld is wel de wet SAMEN, die werkgevers moest prikkelen meer minderheden in dienst te nemen. In 1998 werd zij ingevoerd, in 2003 door dit kabinet geruisloos afgevoerd. Terwijl het beoogde paradijs, zacht gezegd, allerminst was bereikt.

Verdonks talrijke critici vallen intussen vooral over haar voorstel om ’oudkomers’ óók naar de schoolbanken te dirigeren. De wet discrimineert, vinden zij, omdat daar velen tussen zitten die allang tot Nederlander genaturaliseerd zijn.

Het zal vast waar zijn. En dwang is natuurlijk nooit het sympathiekste middel. Maar de schande waarom het gaat dreigt zo wél intact te blijven: dat er honderdduizenden landgenoten rondlopen die zich amper zelfstandig kunnen redden in de taal. En dus niet in de samenleving.

Oudkomers met rust laten, zoals nu uit gemakzucht gebeurt, is ze afschrijven. En een fatsoenlijke samenleving schrijft niemand af. Een fatsoenlijke samenleving investeert juist ruimhartig in haar zwakke schakels – hoe ingewikkeld dat in de praktijk ook mag zijn.

Ik kijk naar die rondvaartbootfoto uit 1978. Mijn klasje van destijds moet nu dik in de vijftig zijn. Of ze het gered hebben in Nederland? Ik wou dat ik het wist.

mailIcon print |