*

 

Ex-tbs’ers / Een wankel evenwicht

door Louis Cornelisse − 15/03/06, 21:54

Als het met ex-tbs’er Christiaan, die een moord gepleegd heeft, misgaat moet hij achter aan de rij aansluiten in de kliniek. Mensen als Christiaan, bij wie geweld dreigt, moeten beter begeleid worden, vinden deskundigen. Zij zullen dit bepleiten voor de onderzoekscommissie van de Tweede Kamer.

Met Christiaan gaat het op papier prima. Hij staat te boek als een succesvolle ex-tbs’er. Toch heeft Christiaan zich vrijwillig gemeld bij de Mesdagkliniek in Groningen, waar tbs’ers behandeld worden. ,,Het is alsof het nooit ophoudt.”

Christiaan steekt het ene na het andere shaggie op. Hij is nerveus, praat aan één stuk door. In zijn kleine knusse huisje staat het blauw van de rook. ,,Ik wil best met mijn naam in de krant, toch doe ik het niet. Het levert te veel problemen op. Mensen hebben mijn vertrouwen geschonden, daardoor zit ik nu hier thuis en niet op mijn werk.” Hij wijst naar de enige zijkamer in het huisje. ,,Voor als mijn dochter zou komen logeren, zelf slaap ik op de bank. Dat lukt me nu eigenlijk nooit voor vier, vijf uur. Mijn dochter slaapt hier nog niet omdat ik het niet aandurf.... waarschijnlijk zal ik dat nog moeten leren.” De gedachte aan een logeerpartij maakt hem nerveus. Er kan altijd iets onverwachts gebeuren en dan staat hij er alleen voor.

Christiaan heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij een moord heeft gepleegd en daarvoor twaalf jaar cel en tbs heeft gekregen. Aan mensen op wie hij dacht te kunnen bouwen, vertelde hij over zijn verleden.

Dat gaat met vallen en opstaan goed, tot er een nieuwe leiding wordt aangesteld op zijn werk, nu een jaar geleden. Die laat merken ex-tbs’ers niet te pruimen. Dat maakt Christiaan zenuwachtig. Uit angst iets fout te doen, meldt hij zich ziek. ,,Door allerlei spanningen is het ook fout gelopen met mijn vriendin. Die werkte daar ook. Onze dochter kon mee naar het werk. We hadden een caravan op het terrein mogen neerzetten, waar ze rustig kon slapen.”

Christiaan is welbespraakt. In een duivels tempo vertelt hij zijn levensverhaal. Hij heeft al zo vaak zijn tocht langs tehuizen en pleeggezinnen uit de doeken gedaan dat hij al snel bij de fatale dag aankomt waarop hij zijn moord pleegde. ,,Ik heb een verleden van veel geweld. Het was maar een kwestie van tijd, voordat ik zou overkoken. Dat was toen ik twintig was. Officieel, voor de wet, was ik twee jaar daarvoor volwassen verklaard. Maar dat was ik niet.”

Zijn vader overlijdt als Christiaan vier jaar is. Door de praatsessies met deskundigen in de tbs-kliniek is naar boven gekomen dat het vroege doodgaan van zijn vader hem heeft achtervolgd. Door onder andere dat gemis en ervaringen in tehuizen, is hij agressief geworden, denkt hij.

Christiaan laat zijn 36-jarige leven weer de revue passeren. Eigenlijk, zegt hij, krijgt hij na twintig jaar voor het eerst rust in de gevangenis in Scheveningen. Na vierenhalf jaar mag hij naar de Mesdag-kliniek in Groningen. Zijn laatste joint trapt hij voor de deur uit. ,,Spuiten en slikken heb ik nooit gedaan, blowen des te meer. Op het moment dat ik de Hel van het Noorden inging – zo noemden ze de Mesdag toen – heb ik me voorgenomen: ik ga niet meer in de fout.”

Christiaan vindt zijn draai in de kliniek als hij het gevoel heeft zelf zijn therapie te ontwerpen. Zijn agressie komt naar boven. ,,Soms heel heftig. Ook kom ik toe aan het rouwen om mijn vader.” Als er groepstherapie is, vertelt iedereen over zijn delict. Als Christiaan aan de beurt is, loopt een andere gedetineerde halverwege weg. ,,Die kon het niet meer aanhoren, zei hij. In Scheveningen kon je je terugtrekken, in de Mesdag moet je verder met zo iemand.” Hij maakt vorderingen. De moord en alle geweld dat hij als tiener gebruikte, kan hij plaatsen.

Christiaan leert zich te beheersen. De behandelaars zijn tevreden over hem. Ze zijn ervan overtuigd dat Christiaan het meent als hij zegt: ,,Ik zal er alles aan doen niet weer over de schreef te gaan.” De behandelaars vinden dat hij snel vooruit gaat. Na krap vijf jaar mag hij in 2001 met proefverlof. Dat gaat zo goed dat hij een jaar later al onvoorwaardelijk ontslag krijgt.

In het begin kan hij goed met zijn vrijheid omgaan. Nog steeds maakt hij in de stad gemakkelijk contact. ,,Als ik het goed met iemand kan vinden, zeg ik zelfs dat ik ex-tbs’er ben.” Hoe vaak hij zijn neus ook stoot, hij blijft open kaart spelen. Ook zijn liefhebberijen koestert hij. ,,Ik ben nu weer op zoek naar een nieuw bandje om in te spelen, want mijn vorige is uit elkaar gevallen. Ik ga ook graag klaverjassen.”

Zijn huisje is keurig opgeschilderd, toch is hij er niet erg trots op. ,,Ooit heb ik een diploma huisschilder gehaald. Nee, daar wil ik niet in verder. Het was een keuze omdat ik iets moest. Ik kan wel netjes schilderen, maar afplakken heb ik geen zin in, dat kun je zien.” Hij wijst op de rafelige rand om de plinten.

,,Ik denk wel eens: ik stap op een schip en ga weg. Dat kan ik niet. Ik ben erachter dat ik gewoon huisje, boompje beestje wil. Ik wil geen fouten maken, alleen al voor mijn dochter. Ze mag later best weten wat ik gedaan heb, maar dat het eenmalig was.”

Na vier jaar vrijheid zit Christiaan in zijn woonkamer op de bank. Rookt en trilt. Hij is weer verraden. ,,Mijn moeder, broer, stiefvader, allemaal hebben ze me bedrogen. Nu is het weer zover. Alsof het nooit ophoudt. Ik dacht dat ik die gifbeker nu wel leeggedronken had.” De nieuwe baas is dit keer de verrader. Die heeft hem bestolen, zo voelt het want Christiaan is dol op zijn werk, lekker in de buitenlucht. Hij houdt van de seizoenen, nog het meest van de winter als de beesten op stal zijn en het buiten kalm wordt. Het maakte hem gelukkig, te kunnen werken met zijn vriendin met het kind in de nabijheid.

En nu heeft hij zich ziek gemeld. Dat zijn verleden verklapt is, is hem fataal geworden. Als voorwaarde om aan de slag te kunnen in een gesubsidieerde baan, vond de Mesdag dat hij open kaart moest spelen met het bestuur van de stichting waar hij met beesten kan gaan werken. ,,Daar kon ik in komen. De oude voorzitter heb ik alles verteld. De nieuwe schrok van mijn verleden, dat kan ik ook begrijpen.” Het liefst zou hij naar hem toegaan voor een gesprek. Maar dat durft hij niet, bang als hij is dat het uit de hand loopt. ,,Als ik iets heb opgestoken in de Mesdag is het wel dat ik op tijd heb leren ingrijpen als ik weer op ontploffen sta. Tenminste, dat hoop ik. Ik ben een vulkaan, dat weet ik. Echt beter ben ik niet. Het is wel beheersbaar. Ik had geen gebroken arm toen ik de kliniek in kwam, ik had een probleem met agressie.” Christiaan gaat ook niet terug naar de plaats waar hij vandaan komt. ,,Nabestaanden wil ik geen leed toebrengen door daar weer te verschijnen. Ik bezoek wel mensen, maar in de buurt. Oude vrienden die niet verrot zijn. Ik wil mezelf niet in de verleiding brengen. Ik weet hoe ik ben, ik weet hoe ik reageer.”

Christiaan gooit zijn handen in de lucht. ,,Ik weet het, ik praat nu ook veel. Praten helpt. Als ik naar die voorzitter zou gaan, weet ik wat er gebeurt.” Hij is bang voor zichzelf, nu het zo beroerd met hem gaat. Vier maanden geleden heeft hij gebeld met de Mesdag. Ten einde raad. ,,De portier zei: Je moet eigenlijk weer een delict hebben gepleegd om hier weer binnen te komen. Ja, daar gaat het nu juist om, dat wil ik voorkomen.” Uiteindelijk kreeg hij tot zijn opluchting een gesprek met een behandelaar die hem door en door kent. ,,Het was alsof ik thuiskwam.” Tegelijkertijd is Christiaan op zijn hoede. Hij kent de kliniek van binnenuit. ,,Ik wilde niet het risico lopen dat ze me vastzetten.”

Zijn vrijheid, zegt hij vastberaden, is hem veel waard, heel veel. Hij heeft er vertrouwen in dat het goed komt. ,,Ik heb met de behandelaar van de Mesdag vier dagen drie keer per dag gebeld. Dat luchtte al op. Ik zet door, al is het zwaar.”

Christiaan blijft in de buurt van de Mesdag wonen, bezweert hij. De dagopvang geeft hem een wankel evenwicht. De aanwezigheid van de kliniek geeft hem rust, ook al mag hij in tijden van nood slechts aankloppen, maar niet naar binnen.

mailIcon print |