Het lijkt een beetje verdacht: prominente wetenschappers die zich met mode bezighouden. Mode is toch iets voor leeghoofden, domme gansjes en onzekere tiepjes? Neerlands enige modelector José Teunissen wordt er niet moe van uit te leggen dat mode wel degelijk een serieuze benadering verdient. „Het is een zeer belangrijk onderdeel en graadmeter van onze visuele cultuur. Mode laat glashelder zien wat we willen, wie we zijn. Het is een spiegel van de tijd en toont haarscherp de tekens van onze cultuur.”
Teunissen heeft zich tijdens haar vierjarige aanstelling als modelector aan de hogeschool voor de Kunsten ArtEZ in Arnhem, ingespannen om alles wat er op het gebied van modetheorie in omloop is te inventariseren. Dat was pionierswerk. Vanuit allerlei hoeken en gaten hebben wetenschappers zich de afgelopen anderhalve eeuw met mode beziggehouden. Sociologen, psychologen, antropologen, filosofen en kunst- en cultuurhistorici hebben interessante theorieën over mode ontwikkeld. Maar doordat een universitaire mode-discipline ontbreekt, zijn deze theorieën nooit in kaart gebracht. Teunissens doel was deze lacune op te vullen. Zij zette onder meer een digitaal kenniscentrum op en organiseerde symposia en workshops.
Onlangs verscheen haar pièce de résistance, het zeer gedegen en omvangrijke modehandboek ’De macht van mode’. De titel is misleidend. ’Macht’ moeten we invullen als het Engelse woord ’power’ dat als ’kracht’ of ’impact’ moet worden gelezen. De auteurs zijn internationaal gerenommeerde theoretici die vanuit allerhande wetenschappelijke richtingen laten zien welke impact mode heeft en hoe bepalend mode is in onze maatschappij. Daar moet de lezer wel even voor gaan zitten. Teunissen benadrukt dat het vooral een inhoudelijk boek is. „Mode is absoluut niet oppervlakkig en omvat veel meer dan een nieuwe roklengte, kleuren of accessoires. Mode gaat ook over de wisselwerking tussen groepen en het individu, over de opvattingen in een maatschappij, over herkenning en erkenning, identiteit en expressie, gedrag en etiquette, over het evenwicht tussen het lichaam verbergen en openbaren.”
De theoretici analyseren deze kwesties in het boek tot op het bot. Maar ook de leek kan zich er iets bij voorstellen. Zo ging een dame halverwege de 20ste eeuw nooit zonder handschoenen en hoed of hoofddoek de deur uit. Deze vorm van keurigheid hoorde bij de toenmalige omgangsvormen en liet zien dat je de fatsoensnormen kende. Onder invloed van de jeugdbeweging kwam er in de jaren ’60 een eind aan deze traditionele opschik. En de Punk-beweging liet vanaf eind jaren ’70 zien dat mode niet alleen meer door modeontwerpers werd gedicteerd. Met hun opzichtige, gescheurde kleren, afschrikwekkende torenhoge stekelkapsels, om aandacht schreeuwende make-up en veiligheidsspelden door de wang, zetten zij zich af tegen de maatschappij.
De rol van die modeontwerper veranderde nogal in de loop der tijden. Met de opkomst van de confectie halverwege de 19de eeuw ontstond een dringende behoefte aan nieuwe modevoorbeelden. Het toonaangevende hofleven, waar voorheen de nieuwste modesnufjes vandaan kwamen, was letterlijk vervallen. Voor het eerst in de geschiedenis ontpopten modeontwerpers zich tot almachtige opperwezens die de nieuwe lijnen uitzetten en die als voorbeeld voor de confectie functioneerden. Dat systeem hield stand tot diep in de 20ste eeuw. Het is inmiddels ingeruild voor een modevomgever die als ’componentenleverancier’ opereert. De hedendaagse ontwerper levert geen dwingende totaalbeelden meer maar laat de consument een eigen mix bij elkaar sprokkelen zodat een individuele kledingcompositie ontstaat die vooral het persoonlijke en de persoonlijkheid van de drager onderstreept.
Teunissen: „Vroeger werd mode vooral gezien als een stijlgeschiedenis. Dat zag je bij de kostuumtentoonstellingen in musea en ook in de modeboeken. De laatste 20 jaar is het accent verschoven en wordt mode veel meer benaderd als een representant van onze visuele cultuur.” Hoe mode omgaat met de geschiedenis, de tijd en tradities wordt toegelicht door de Duitse literatuurwetenschapper Barbara Vinken. Als voorbeeld kiest zij de Belgische ’Voddenraper’-ontwerper Martin Margiela. Hij liet eind jaren ’80 en begin jaren ’90 in zijn collecties de sporen die de tijd achterlaat zien door oude, gescheurde kledingstukken met nieuwe lappen te ’herstellen’ en van oude sokken ’nieuwe’ truien te maken. Deze benadering koppelt Vinken aan modetheorieën van filosoof Walter Benjamin.
Teunissen: „Vanaf 19de eeuw bogen enkele vooraanstaande schrijvers en denkers zich voor het eerst over het fenomeen mode. De dichters Baudelaire en Mallarmé en de aartsvader van de sociologie Georg Simmel, trokken de neus niet op voor de vluchtigheid van de mode maar beschouwden het als een bijzonder fenomeen dat zeer de moeite waard was om te bestuderen en in een bredere context te plaatsen.” Sommige ideeën blijven verrassend actueel. Baudelaire bijvoorbeeld moest niets hebben van de 19de-eeuwse burgerlijke samenleving die gericht was op winst, nut, deugd en vooruitgang. Hij wilde leven als een dandy, iemand die zich louter bezighoudt met schoonheid. Hij meent dat het natuurlijke lichaam onvolmaakt en lelijk is en dat met behulp van kleding en make-up een bovennatuurlijk ideaal kan worden bereikt waarmee de onvolmaaktheid wordt overwonnen. Hoewel het in onze tijd niet meer past om je dagen volledig te vullen met het najagen van schoonheid, proberen we nog steeds onze onvolkomenheden met modieuze kleding te verdoezelen en ons lijf zelfs chirurgisch te laten wijzigen om de ideale schoonheid te benaderen.
Mode heeft ook iets geks. Vrijwel alle andere gebruiksproducten, van koffieapparaat tot autostoelen, worden voortdurend verbeterd en verfraaid. Bij mode ontbreekt dat doel. Je verwacht dat ook kleding zich ontwikkelt van de ene vorm naar een telkens hogere vorm zodat een ’beter’ kledingstuk ontstaat. Maar nee, ondanks technische vernieuwingen en slimme vondsten blijven onhandige, onflatteuze en ongezonde kledingstukken in de mode. Neem nu bijvoorbeeld de afzakkende broeken, de legging of de plompe wortelbroek (van boven wijd met taps toelopende pijpen) die aanstaand seizoen ’in de mode’ komt en vrijwel geen enkel lijf flatteert, of de ongezond hoge wiebelende stilettohakken. Alleen bij zeer toegepaste kleding, zoals een olympisch schaatspak of een winddicht jack, is sprake van een evolutie. Maar dit zijn geen mode-artikelen. Dat ’niet betere’ van mode dient echter wél altijd een doel. Want juist mode is opgebouwd uit tekens en die vertalen onze smaak, rol, status of normen. Teunissen: „En dat laat weer zo prachtig de cultuur zien. De emancipatie van de vrouw en de jeugdcultuur van de jaren ’60 die met hun invloed de mode democratiseerden zijn niet alleen letterlijke tekens, die zichtbaar zijn gemaakt door middel van mode, maar ook de kledingstukken zelf laten die veranderingen zien.”
Nu het standaardwerk over modetheorie klaar is, heeft Teunissen volop nieuwe plannen. „Het is onder meer mijn taak om het hoger onderwijs en de universiteit dichter naar elkaar toe te trekken. In het buitenland komt de modetheorie momenteel aan de hogescholen tot ontwikkeling. Ik wil proberen om dat nu in Nederland binnen de hogeschool, zeg maar rondom de modeafdeling van de kunstacademie, ook van de grond te krijgen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.