*

 

Ephimenco / Het stof van God

door Sylvain Ephimenco − 15/03/06, 21:36

Sneeuw, zei mijn moeder, komt uit de hemel en dus van God. Wat hij allemaal daarboven uitspookt merken we pas goed als iets op ons hoofd neerdaalt. Ik was zes jaar en geloofde haar op haar woord. Het kon ook niet anders: mama bezat een prachtig kruis van buxushout dat boven haar bed hing.

Ze moest dus wel een speciale band met hem onderhouden. Voor alle natuurlijke verschijnselen had ze een goddelijke uitleg. Als God door onze daden goed verdrietig was, liet Hij zijn tranen op ons neervloeien. Zo gebeurde het dat ik bij iedere nietige druppel regen die op mij viel, me prompt afvroeg wat ik alweer misdaan had. Donderslagen? God sleurde met zijn meubels. Flitsen? Hij deed het licht aan. Alleen sneeuw was een probleem. Als het opperwezen zijn meubels ging afstoffen ging het sneeuwen, zei moeder. In het Noord-Afrikaanse Oran had ik in zes jaar tijd geen vlok gezien. Dus moest Hij wel in een stoffig nest vertoeven.

Sneeuw zag ik pas voor het eerst tijdens de Franse winter van 1963. God moest wel opeens op drift zijn geraakt en door schoonmaakwoede zijn bevangen. Het spul kwam met bakken tegelijk uit zijn geklopte tapijten, fauteuils en gordijnen. Het land verdween onder een verblindende korst van kou terwijl de plompe vrachtauto’s in de bermen en sloten kantelden. En terwijl het leven bijna tot stilstand kwam en het gezicht van de volwassenen steeds langer werd, stond ik tot aan mijn enkels in het stof van God te huppelen van geluk. Met verrukking liet ik me telkens vallen in de sneeuw en lag soms minutenlang op mijn rug met mijn mond wijdopen. De vlokken smolten op mijn tong als de meest delicieuze bonbons en als een attente vader mij niet bij de kraag had gevat en schoongeschud, was ik misschien in een onbeschrijfelijke roes doodgevroren. Voor het kind uit het Afrikaanse continent dat ik was, werd deze eerste kennismaking met de sneeuw een onvergetelijke. De extase en de verwondering uit die memorabele winter, heb ik in het vervolg nooit meer mogen ervaren. Er zijn natuurlijk heel wat sneeuwballen door mijn handen gegaan maar de magie en de mystiek zijn door de vele herhalingen verloren gegaan. De laconieke blik van de volwassene draagt uiteindelijk de stigmata van de routineuze weerberichten en de langetermijnverwachtingen.

En nu sta ik eenzaam voor het raam van een Oostenrijkse hotelkamer naar die vallende vlokken te kijken. De hele nacht heeft het in Linz zwaar gesneeuwd. Zo’n dik pak heb ik allang niet meer gezien. Geen vreugde, geen opwinding. Alleen woede en frustratie. We kwamen hier met vrienden voor een internationale atletiekwedstrijd. Vol hoogmoed dachten we de winter slim af te zijn. Sneeuw halverwege de maand maart? Geen sprake ervan. Toch wel. Hoe wil je een speer of een discus door de sneeuw werpen? Als een ondankbaar kind hef ik mijn vuist ten hemel en mompel wat. Maar niets kan het neerdwarrelende stof van God tegenhouden.

mailIcon print |