*

 

Drayer / De gelegenheidswerkjes van Rushdie en Giphart

door Elma Drayer − 15/03/06, 21:33

De Boekenweek moet een van de grootste successen zijn uit de Nederlandse marketinggeschiedenis. De Week van het Huisdier, de Vooruitgang, het Oor, het Bos, het Platteland, de Zee, de Geschiedenis – ze mochten willen dat ze ooit half zoveel effect zullen sorteren als dit jaarlijkse evenement. De eerste werd al in 1932 in het leven geroepen, door boekhandelaren en uitgevers. ’Ons volk nader brengen tot het boek’ was het hoge streven. Dat is glansrijk gelukt.

Honderdduizenden zullen ook dezer dagen weer een boek aanschaffen, alleen omdat je er gratis eentje bij krijgt. Dat boekenweekgeschenk is, onder ons gezegd, zelden om van ondersteboven te raken. De gelegenheidswerkjes van Salman Rushdie, Ronald Giphart, Connie Palmen – ze liggen in menige boekenkast te verstoffen. Niet erg. Alle middelen zijn per slot geoorloofd om het nobele boekenbedrijf in stand te houden.

Ooit is bedacht dat de Boekenweek niet kan beginnen zonder Boekenbal. Het feest is naar verluidt net zo typisch Nederlands als Sinterklaas en Goudse kaas. Elders kennen ze weliswaar boekenbeurzen en literaire festivals, maar geen jaarlijks treffen waarop de branche zichzelf zo uitgebreid in het zonnetje zet.

De klassieke schaarste aan toegangsbewijzen leidt tot merkwaardige rituelen. Wie geen kaartje heeft bemachtigd, vindt het elitaire Boekenbal sowieso niks. Die vervoegt zich mokkend honderd meter verderop, bij het vele malen democratischer Bal der Geweigerden. Maar wie er wel een heeft, dient het óók niks te vinden. Mopperen over te veel tweederangs schrijvers, te veel boekverkopers, te veel televisiesterren – het hoort net zo bij het Boekenbal als het collectief stelen van de decorstukken na afloop. Klagen over de kwaliteit van het voorprogramma trouwens ook. En altijd is het Boekenbal niet meer wat het ooit was.

Nu zit daar eerlijk gezegd wel wat in. Zo kan het bal al heel lang niet meer bogen op koninklijke belangstelling. De tijd dat de vorstin zich, gehuld in feestelijk strapless, onderhield met de schrijvende burgers is voorbij. Een stijfjes om zich heen knikkende burgemeester, daar moeten ze het mee doen.

Scandaleus is het Boekenbal ook nog maar zelden. Het recentste relletje dateert uit 1969, toen zelfs de toenmalige ministerraad zich bezighield met het decor: scabreuze schilderingen van de paus. Dat Maarten ’t Hart opzien baarde door in een jurk te verschijnen is ook alweer vijftien jaar geleden. En literaire vetes die ter plekke tot uitbarsting komen, een handgemeen tussen rivalen – ze lijken definitief tot het verleden te behoren.

Het Boekenbal weerspiegelt nu eenmaal als geen ander evenement het dominante klimaat in de Nederlandse letteren. En daar gaat het er het laatste decennium uiterst gezellig en bedaagd aan toe. Heftig polemiseren is uit de mode. Zelfs een sympathieke poging tot stoken, de instelling van de Gouden Doerian-prijs voor het slechtste fictieboek van het jaar, weet nauwelijks opwinding te genereren.

Geen wonder dat ook het laatste Boekenbal, afgelopen dinsdag in de Amsterdamse Stadsschouwburg, zo harmonieus verliep.

De grote meesters hielden, als altijd, audiëntie. Harry Mulisch kon, omringd door zijn gevolg, gewoon op een bankje blijven zitten. En ook de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, gestoken in smoking, hoefde geen stap te verzetten. Minzaam handenschuddend en enigszins verbaasd liet de beroemde denker het literaire circus aan zich voorbijtrekken.

De mindere grootheden was uiteraard een nederiger lot beschoren. Zij dienden, wilden ze geen sneue muurbloempjes lijken, de kunst van het circuleren te beoefenen. Trap op, trap af, zaal in, zaal uit. Hier een zwaai, daar een hand, een wang, een korte conversatie, en blijmoedig weer doorschuifelen.

Waartoe dit alles nut, is vermoedelijk een al te strenge vraag. Maar één ding staat vast: wie reuring zoekt, maakt buiten op het Leidseplein beslist meer kans.

mailIcon print |