Nederland heeft geen generatieconflict, maar een onterechte tweedeling tussen werknemers met een contract en een groeiende groep die deze veilige luxe niet kent. Die kloof tussen werkenden moet worden overbrugd.
Economen mogen ons graag waarschuwen voor een generatieconflict, dat de solidariteit onder druk zal zetten. Dat conflict zou ontstaan als door demografische ontwikkelingen een kleiner aantal werkenden de sociale premies voor een grotere groep inactieven moet betalen. Maar dat is niet hetzelfde als een generatieconflict. Bij een generatieconflict moet je eerder denken aan Caesar en zijn zoon Brutus, die hem in zijn kruis stak en vervolgens vermoordde om de macht over te nemen.
Het conflict dat ik zie heeft niet te maken met leeftijd, maar met risico’s. Een groeiende groep mensen heeft niet de veilige positie van een vast arbeidscontract. Ze werken op tijdelijke contracten en worden vanwege de wet ’Flexibiliteit en Zekerheid’ na het derde contract ontslagen. Daarnaast verdient een groeiende groep mensen als zelfstandige de kost. Zelfgekozen, omdat ze geen zin hebben om voor een baas te werken of omdat ze het ijzeren regime van de kantoortijden niet kunnen combineren met de zorg voor het gezin. Maar veel zelfstandigen zijn het ook uit noodzaak. Allochtonen bijvoorbeeld worden nog steeds gediscrimineerd bij sollicitaties. Zelfstandig ondernemerschap is voor hen vaak de enige optie om een zelfstandig bestaan te verwerven, als ze niet afhankelijk willen zijn van een uitkering.
Deze mensen hebben geen recht op WW of WIA en sparen niet of nauwelijks voor een aanvullend pensioen. Een private arbeidsongeschiktheidsverzekering is voor veel mensen te duur. Een huis kopen is lastig als je geen vast contract kunt overleggen of als je niet genoeg verdient als zelfstandige. Het zijn de outsiders, of zoals oud CDA-minister van sociale zaken Bert de Vries het in zijn boek ’Overmoed en onbehagen’ noemde, de tweederangs werknemers.
Wie zijn deze tweederangs werknemers? Jongeren, allochtonen, vrouwen, maar ook oudere werknemers die niet de luxe van een vast contract en bescherming via een collectieve arbeidsovereenkomst hebben. Het is de groep die nu en in de toekomst de grondslag van onze volksverzekeringen zal vormen. Het is een groep die je niet vaak hoort, want ze zijn niet georganiseerd, bijvoorbeeld via vakbonden.
Economen mogen ook graag stellen dat de Nederlandse arbeidsmarkt flexibeler moet worden, om een antwoord te geven op de groeiende internationale concurrentie. Maar Nederland heeft allang een flexibele arbeidsmarkt, maar die geldt alleen voor de tweederangs werknemers. Of we er nu door de omstandigheden toe gedwongen worden of er zelf voor kiezen, de instituties van Nederland zijn nog lang niet ingesteld op flexibiliteit. En dat veroorzaakt een tweedeling tussen de insiders en outsiders.
Solidariteit kunnen we anders organiseren. Of zoals het Alternatief voor Vakbond het noemt, ’fair solidair’ organiseren. Dat kan door de tweedeling tussen eersterangs en tweederangs werknemers te verzachten. Dat gaat over ontslagbescherming, maar ook over de toegang tot koophuizen, pensioenfondsen en inspraak van alle werknemers op arbeidsvoorwaarden. Als we het risico op werkloosheid eerlijk zouden delen, zou flexibiliteit voor iedereen moeten gelden. Dat is lastig, maar je kunt beginnen door flexibiliteit in te voeren voor de hoger opgeleiden en iedereen die meer dan 45.000 euro verdient. Als er één groep is van wie je flexibiliteit mag verwachten is het wel deze groep.
Op universiteiten en bij de publieke omroep, waar nu een heel ongezonde tweedeling is tussen de vaste en tijdelijke medewerkers, zou dat voor de broodnodige dynamiek kunnen zorgen. Ook kunnen we de vleespotten van de fondsen voor onderzoek en ontwikkeling openstellen voor outsiders. Deze fondsen zijn nu alleen beschikbaar voor insiders.
Een hoger opgeleide beroepsbevolking is hard nodig willen we werk in Nederland behouden. Laten we dan ook zorgen dat de buitenstaanders gebruik kunnen maken van de opleidingsfondsen. We moeten oudere werknemers niet afschrijven en met vroegpensioen sturen, maar juist in hen investeren. Pas als we dat consequent hebben gedaan, mag je flexibiliteit verwachten. Er zou een pensioenfonds moeten komen waar zelfstandigen en tijdelijke werknemers fiscaal voordelig zouden kunnen sparen. Een pensioenfonds biedt betere voorwaarden dan de lijfrentepolissen die verzekeraars aanbieden.
Tenslotte zou iedere werknemer moeten kunnen stemmen over zijn of haar cao, ongeacht of ze lid zijn van een vakbond. Als tijdelijke medewerkers ook mogen meedenken over arbeidsvoorwaarden, zouden die er heel anders uitzien en niet de tweedeling tussen insiders en outsiders in stand houden.
Vrees dat oudere werknemers dan als eerste de klos zijn, is niet gegrond. Maar het is waar, rechten verliezen is nog altijd erger dan nooit rechten gehad hebben. Het is dan ook niet gek dat de traditionele vakbonden en politieke partijen hevig ageren tegen maatregelen die de oudste rechten aantasten. Mijns inziens hoeven er niet zoveel oude rechten te sneuvelen met de voorgestelde maatregelen. Tegelijk kunnen ze de positie van de outsiders versterken. Solidariteit gedijt als we allemaal weer in hetzelfde schuitje zitten, zowel de eersterangs als de tweederangs werknemers.
Mei Li Vos is voorzitter van het Alternatief voor Vakbond. Dit is een verkorte versie van een lezing die zij vandaag geeft voor het Nederlands Gesprekcentrum.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.