*

 

Afscheidsbrief / Marthe

Joost van Velzen − 05/01/06, 17:39

Zonder er mijn naam boven te zetten, schrijft Marthe mij:‘Hoog zit ik. Hoog boven het gekrioel van al die mensen die op weg zijn hun dag in te vullen. Ik hoor daar niet bij. Nu even niet.

Ik herstel van een verloren illusie. De zon schijnt door de ramen van mijn balkonsuite en streelt mijn huid. Hij verwarmt mijn lichaam. Ik ervaar dit als een bitter contrast met het gepantserde gevoel binnen in mij nu ik aan jou denk, Barend. Mijn hart verkilt. Dit hart dat kon smelten bij het kijken naar je profiel. Ik stuur je al onze foto’s retour.

Ik ben in het damestoilet onwel geworden en bewusteloos geraakt. Ik herinner mij hoe ik mij verbaasde, toen ik merkte dat mijn benen mij niet meer wilden dragen. Ik beleef nog steeds - maar doe dat nu met steeds grotere tussenpozen - mijn pijnlijke val. Meer dan een uur later kwam ik bij bewustzijn. Ik ben - verdwaasd als ik was - moeizaam op mijn benen komen te staan. Uiterst langzaam schuifelend liep ik naar onze kampeerwagen. Ik schrok geweldig, toen ik tenslotte op onze fraaie plek aankwam en er de kampeerauto niet meer zag staan. Ik heb in mijn ogen gewreven en bij herhaling ongelovig gekeken naar die lege plek. Een lange tijd heb ik een boom omarmd en mijn verdwaasd verdriet geuit. Ik heb geroepen, gebeden, gesmeekt. Je kwam niet!

Ik mag van geluk spreken dat de beheerder mijn weerloze en licht verwonde sluimerde lijf vroeg in de morgen vond. Hij had mijn nog zwakke snikken gehoord. Hij bracht mij naar zijn huis. En in de logeerkamer van zijn woning hebben hij en zijn vrouw mij met hun zorg dagelijks omringd. Ze bewezen mij hun onbaatzuchtige barmhartigheid. Twee dagen was ik mij nauwelijks bewust van de wereld om mij heen. Mijn hevige roepen om jouw nabijheid legden ze in die dagen uit als koortsige dromen. Voor beiden was dat een product van mijn zweven tussen even bijkomen en opnieuw wegzinken. Langzaam herstelde ik. Toen werd mij duidelijk dat je nergens navraag naar mij had gedaan. Je stiekem wegrijden met de camper in het morgengloren is door niemand opgemerkt. Niemand heeft je markante kop en je laffe nachtelijke vlucht gesignaleerd. Ik voel nog de steek in mijn lijf van plaatsvervangende schaamte, toen het beheerdersechtpaar van mij vernam dat we die nacht net buiten de camping stonden. Ik ben er maandenlang door in verwarring geweest. Mogelijk was ik aangestoken door een virus. Ik voel mij slachtoffer. Heb ik dit over mijzelf afgeroepen? Het reisje was mijn voorstel. Ik gaf toe aan mijn impuls. Het was het laatste eilandje in ons gezamenlijk bestaan. Ik wilde nog één keer van je verschijning en je gezelschap genieten. Nog eenmaal wenste ik mij te baden in je beweeglijke lijf en geest. Diezelfde geest gaf je in om de vlucht te nemen! In datzelfde lijf ontdook je de verantwoordelijkheid die je voor mij droeg. Nadien heb je nooit meer iets van je laten horen. Berend, hoe kun je jezelf en mij zo verloochenen? Langzaam beginnen brokstukken van inhouden uit onze gesprekken opnieuw tot me door te dringen. Je handelen is van een ongehoorde achterbaksheid en vervuilt alles wat tussen ons aan schoons bestaat. Ik zie je nog knikken en hoor het je nog zeggen: ‘Ja, we gaan samen nog voor één keer naar de Franse Ardennen.’ Ik kan geen enkele reden bedenken, waarom ik er toen niet blij mee had moeten zijn. Ik heb je nog gevraagd of je wel vrij was. Je zei - en dat realiseer ik mij achteraf - wat vaagjes, dat dat zo was. Je handelen is niet aan mijn omgeving uit te leggen. Het is ook niet tussen ons tweeën uit te leggen. Dit zeker niet vanwege de band die jij en ik toen nog heel duidelijk af en toe voor elkaar voelden. Ook al onderhielden we die in de voorafgaande maanden niet. Het werd typisch iets voor jou wat ontwijkende antwoorden te geven en halve waarheden te spreken. Ik kan je nooit meer op je woord vertrouwen. Er is geen basis meer voor onze vriendschap. Mijn respect is weg. Ik ben naïef geweest. Ik geloofde in de kracht en de zuiverheid van de band die ons toen nog wel bond. Ik hoef mijn lichaam niet meer voor je te bewaren. Die diepe gevoelsbasis voor onze vriendschap is weg. Ik wil je vriendschap nooit meer. Je hebt het onderste uit de kan gehaald en denkt daarmee weg te komen onder het motto: ‘Ik heb ruimte nodig’. Dat je dat ten koste van mij zou doen, kwam niet bij mij op. Wat voor gekke dingen je ook deed, ik dacht dat je toch een goede vent was. Ik was ervan overtuigd dat je wel eerlijk tegenover mij was. Nu geloof ik niet meer in je eerlijkheid. Mijn respect voor je is weg. Ik zou niet met je hebben geslapen als ik dit alles van tevoren had kunnen voelen aankomen. Ik begrijp niet dat jij dat met deze wetenschap wel hebt gekund. Je durft niet anders te zeggen dan: ‘Ik heb ruimte nodig’. Het patroon van al deze zaken was er kennelijk al. Mijn emoties zijn te veel een spiegel voor je handelen.

Je excuus heb ik niet ontvangen. Het zou de impact van je verraad tot je hebben doen doordringen als je dat wel had gedaan. Is het wel tot je doorgedrongen? Heb ik dit alles aan je verdiend? Heb ik zoveel ondoorgronde leugens en lijfelijk bedrog verdiend? Diep in mijn hart bekruipt mij het gevoel dat op je reis door het leven als een alleenstaande geen zegen kan rusten.

Je zou een gelegenheid hebben gehad om in praktijk te brengen waar je mond altijd zo vol van was. Vol zorg en zorg-vul-dig met elkaar omgaan, elkaar respectvol behandelen, oprechtheid tonen en in gesprekken eerlijkheid betrachten sticht een diepe warme band. Was onze relatie niet de moeite waard om te zeggen dat het je spijt? Waarom heb ik nooit van je vernomen, dat je een diepe spijt hebt over wat er is gebeurd? Is er geen enkele toelichting voor je gedrag dan alleen het makkelijke: ‘Ik weet, dat ik zo ben?’ Als je die grootheid van hart op zou kunnen brengen, zou dat het miserabele beeld dat ik nu van je heb licht kunnen herstellen.

Het diepe litteken dat je in mij achterlaat, is nu niet meer weg te halen.

Andere herinneringen dringen zich aan mij op en ik laat ze komen. Het zijn fijne herinneringen aan onze uitstapjes. Weet je nog van die andere vakanties in de Ardennen? Het was je geliefde streek al, toen ik je leerde kennen. Het werd ook de mijne. Ik koesterde de wens daar nog eenmaal een paar dagen met je te vertoeven. Het is net of ik je rustige ademhaling hoor en je strelende zachte handen voel. Ik heb een verlaten gevoel. Ik herinner mij onze begeerlijke ‘happy hours’. We praatten dan eindeloos met z’n tweeën en met een fles wijn onder handbereik. Vaak bezweken we voor de intieme charmes van dat moment en kwamen niet meer aan het warme eten toe. Verdieping en intimiteit tussen alleengaande lotgenoten. Wat hebben we ‘van ons lot genoten’. Dit grapje paste enkel tussen ons; paste enkel in onze thuistaal. Voor we elkaar leerden kennen, stonden we beiden ongewenst alleen. Dat lot was ons beschoren. Nu denk ik met smart aan de ruimte die we samen hebben gedeeld. Deze fijne herinneringen overspoelen mijn gevoel. Ik ben opnieuw alleen.

Even kan ik niet verder schrijven‿

Berend, destijds was het de chemie die ons bond. We deelden in elkaars lief en leed. We praatten van hart tot hart. Eén en één was drie. Maar onze meerwaarde was nooit genoeg voor je. Je hebt het nooit als liefde benoemd. In de sfeer van het Samen op Weg-zijn konden we niets delen. Des te meer genoten we van dit Samen op Pad-zijn. Voor jou voelde het als een tekort dat we weinig praatten over levensbeschouwelijke, religieuze en godsdienstige zaken. Ik stelde bijvoorbeeld dat de kerken en de spirituele groepen geen antwoord geven op actuele vragen. De kerken zouden vanuit hun levensbeschouwing wat meer maatschappelijk moeten meedoen en ze zouden eens moeten beginnen met hun kerkdiensten omver te gooien en er nieuwe eigentijdse rituelen en sociale activiteiten voor in de plaats zetten. Mijn Groenekerk-gedachte is er één. Die overvloed aan starre jaarroosters, eeuwenoude liturgieën en liederen en haperende geloofsbelijdenissen wegdoen en groeien naar een wereldomspannende barmhartigheid. Moeten predikanten en pastores wel zo blijven functioneren als dat nu het geval is? Terug naar het priesterschap van elke gelovige met zijn of haar talenten. Het contrast tussen vorm en inhoud is nog steeds opvallend zichtbaar. De kerken zijn versuft. De PKN-bobo’s luisteren enkel naar het geluid van ritselende euro’s en falende orthodoxe belijdenisgeschriften. Niet de inhoud was er eerst maar enkel het kerkrechtelijk PKN-staketsel. Zijn daarmee de protestantse en dunnerbevolkte gebieden van Oost-Groningen, Zuidoost-Friesland, Drenthe, Noord-Holland, Zuid-Limburg en grote delen van Brabant geholpen; uit de brand?

Ik stuur je de foto’s waarop we beiden staan. Het zijn mooie plaatjes en ze wekken warme herinneringen op aan fijne uitstapjes, toen er nog een gezamenlijke toekomst was. Onze ontmoetingen noemde je vaak ‘eilandjes’. Het zullen eilandjes blijven. Nu ik de deur definitief dicht doe, is mij schrijnend duidelijk hoeveel ruimte we wel samen deelden. In de rieten stoelen in je tuinkamer hebben we van hart tot hart leed en liefde gedeeld. Ik heb de barmhartigheid daaraan ervaren. Ik voel nog steeds je armen om mij heen, toen we in Enkhuizen, Appingedam, Groesbeek en Briele wandelden. Met heel je wezen bedreef je verliefdheid en je zei dat het een vriendschap-plus was. Tóch sloop een verkeerd virus onze liefde binnen. Barmhartig gezegd: soms was je wel echt een goeie vent. Veel voelt als het nagloeien van hete as uit de openhaard op onbeschermde huid. Ik heb moeite met het loslaten van wat ik de moeite waard vind. Wat ik niet wil, is, nog meer stilstaan bij wat definitief voorbij is. Ons laatste uitstapje zette mijn nabije verleden en mijn huidige wereld op z’n kop.

Ik ben in een damestoilet ‘gewoon’ onwel geworden. Ik raakte buiten bewustzijn. Ik bleek - volgens de Franse arts - ook een lichte longontsteking te hebben en beleefde – mogelijk - enkel het prille begin van een late zwangerschap. De afloop heeft mij rigoreus wakker geschud. Je gezelschap, je beweeglijke geest bezie ik nu in een geheel ander perspectief.

Zelfs het denken aan een laatste omarming-op-afstand houd ik ver van mij. Ik zeg definitief: ‘Adieu’.

Marthe

Maastricht, 2 januari 2006

mailIcon print |