'Niemand heeft de werkelijkheid van misdaad en straf zo voelbaar gemaakt als de schrijver Gerrit Krol', meent Chris  Rutenfrans . In zijn essay 'Voor wie kwaad wil' en in zijn romans 'Maurits en de feiten' en 'De vitalist' heeft Krol met kracht van argumenten en met zijn literaire talent het strafrecht weer bij de les gebracht. 'Krols beschouwingen zijn van niemand geleend en bouwen op niemand verder. En toch komt hij uit op dezelfde absolute strafleer als Immanuel Kant.'
Gerrit Krol heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het denken over misdaad en straf, en toch is zijn werk geen verplichte kost voor de studenten strafrecht en criminologie. Ik denk dat dat komt doordat de universitaire onderwijzers in die vakken, als ze het werk van Krol al kennen, denken: ach, die Krol dat is een schrijver, die beweegt zich in het domein van de fantasie, daar hoeven wij ons in het domein van de werkelijkheid niets van aan te trekken.
Zij vergissen zich. Niemand heeft de werkelijkheid van misdaad en straf zo voelbaar gemaakt als de schrijver Gerrit Krol. Dat heeft hij gedaan in het essay Voor wie kwaad wil (1990) en de romans Maurits en de feiten (1986) en De vitalist (2000).
Dat essay was destijds voor mij een grote verrassing. Hier stond wat ik 'eigenlijk ook altijd al gevonden had', maar wat in die tijd, vijftien jaar geleden, nog volkomen taboe was. Ook was ik getroffen door de dwingende, mathematische stijl van het betoog, de onontkoombaarheid ervan, waarachter ik een sterke gevoelsmatige betrokkenheid vermoedde. Hier was iemand aan het woord die wist waar hij het over had.
De laatste moordenaar
Ooit was ik zelf zo'n universitaire onderwijzer en onderwees ik studenten in de straftheorieën, theorieën die een rechtvaardiging geven voor het opleggen van straffen aan mensen die een misdrijf hebben gepleegd. Globaal heb je twee theorieën: absolute en relatieve. De absolute zeggen dat de rechtvaardiging van de straf ligt in het misdrijf zelf. Omdat misdaan is, moet gestraft worden. Deze leer is fraai verwoord door Immanuel Kant. Hij schreef dat de straf nooit kan worden opgelegd als middel om een buiten het misdrijf gelegen goed doel te bewerkstelligen, hetzij voor de dader, hetzij voor de samenleving. Kant: 'De staat is geen pedagoog. De straf moet dus niet worden opgelegd omdat zij nuttig is, maar alleen omdat de dader een misdaad heeft begaan, omwille van de gerechtigheid. Gerechtigheid is geen gerechtigheid meer als ze zichzelf prijsgeeft voor iets anders.' Kant zette zijn opvatting kracht bij met de uitspraak 'Al zou morgen de wereld vergaan, dan nog moet vandaag de laatste moordenaar worden opgehangen'.
De juriste Hazewinkel-Suringa schrijft in haar befaamde Inleiding tot de studie van het Nederlandse strafrecht (eerste druk 1953; 14de druk in 1995), dat de absolute strafleer meestal vergeldingstheorie wordt genoemd, maar dat dat maar ten dele juist is. 'Het gaat er immers niet alleen om de misdadiger hetzelfde te doen lijden, wat hij te lijden gaf. Het doel is soms meer ideëel, bijvoorbeeld de gelding van het recht te demonstreren tegenover hem die zich ertegen verhief of het herstellen van het verstoorde evenwicht der krachten in het sociale leven of het doen verkeren van het smartgevoel van de getroffene en zijn volksgenoten in bevrediging.'
Een beter mens
Tegenover die absolute strafleer staan de relatieve strafleren die de straf wél als middel zien om een buiten het misdrijf gelegen doel te bereiken. Dat andere doel is meestal het voorkomen van criminaliteit. De straf moet bijvoorbeeld de dader onschadelijk maken zodat hij niet nog meer misdaden kan begaan. Of de straf moet anderen afschrikken om de dader na te volgen. Of de straf moet voorkomen dat de dader, na zijn straf, opnieuw misdaden begaat. De straf moet de dader zodanig veranderen dat hij het nooit weer zal doen.
Dit laatste strafdoel is in onze tijd erg populair geworden. Zo populair dat veel mensen helemaal niet weten dat straffen ook nog andere doelen kan hebben. Als op de radio of de tv of in de krant voor de zoveelste keer iemand zegt dat straffen niet helpt of dat strenger straffen niet helpt, dan bedoelt hij dat straffen de dáder niet helpen. Iedereen vindt dat de straf van de dader een beter mens moet maken.
Dat deze strafopvatting tegenwoordig domineert, is de schuld van de sociale wetenschappen. Die probeerden crimineel gedrag te verklaren uit biologische, psychische en sociale factoren. In hun theorieën was geen plaats voor de vrije wil. Niet de dader was de oorzaak van het misdrijf, maar zijn omstandigheden. Waar geen vrije wil bestaat, kan geen schuld bestaan, en waar geen schuld is, kan moeilijk een straf worden opgelegd. Verklaren leidde tot begrijpen en begrijpen leidde tot begrip. Straffen kwam in een kwade reuk te staan. Vergelding werd een vies woord. Was dat niet iets voor heel primitieve mensen?
Degenen die zo ongelukkig waren geweest tot crimineel gedrag te vervallen, moesten we niet straffen, maar behandelen en helpen. De straf moest dienstbaar worden gemaakt aan de resocialisatie van de dader. Wat Kant niet wilde, gebeurde: de staat werd pedagoog. Maar geen al te beste. Welke straffen en maatregelen ook werden bedacht, helpen deden ze niet. Het percentage gestraften dat na de straf opnieuw de fout in gaat, is onverminderd hoog gebleven. De sociale wetenschappen die de criminaliteit zo goed begrepen, konden ook niet verhinderen dat die criminaliteit sterk bleef toenemen.
Fluitend door Utrecht
Het is duidelijk dat het denken over straffen op een heel verkeerd spoor is beland. Gerrit Krol heeft dat op scherpzinnige en oorspronkelijke wijze onder woorden gebracht. Zijn beschouwingen hierover kun je opvatten als het afwijzen van de relatieve strafleer en het opnieuw verwoorden en verdedigen van de absolute strafleer. Zelf gebruikt hij deze terminologie niet. Dat is juist het aardige. Krols beschouwingen zijn van niemand geleend en bouwen op niemand verder. En toch komt hij uit op hetzelfde als Immanuel Kant. Die, zoals bekend, een groot filosoof was.
Het eerste element van de absolute strafleer dat je bij Krol tegenkomt, is dat de straf, in de woorden van Hazewinkel-Suringa, 'de gelding van het recht moet demonstreren aan degene die zich ertegen verhief'. In zijn essay Voor wie kwaad wil verwoordt Krol dit zo: 'De straf moet de dader vertellen waar de schreef is en hoever hij daar overheen gegaan is. Dat is de belangrijkste functie van het recht. En van straf.'
Het tweede element van de absolute strafleer van Krol is dat hij vindt dat de straf 'het smartgevoel van de getroffene' recht moet doen. Doordat de straf tegenwoordig alleen nog de dader mag dienen, komt het slachtoffer in een ondraaglijke kou te staan. Krol schrijft: 'Het recht dat te licht straft, maakt het het slachtoffer wel erg moeilijk.'
Waarom? Omdat de dader de sterkste was ten koste van het slachtoffer. Als zo iemand niet of te licht wordt gestraft en zodoende het vernederde slachtoffer nog een extra vernedering te verduren krijgt, hebben we geen mild strafklimaat, zoals sommigen menen, maar een klimaat waarin het recht van de sterkste geldt. Het slachtoffer kan de dader pas gaan vergeten als de dader gestraft wordt. 'Door niet of te licht te straffen wordt het slachtoffer tot zijn dood toe aan zijn vijand gebonden', schrijft Krol.
Hoe wreed dat is, hebben we pas weer kunnen horen van Joke Kranenburg, de vrouw van politieagent Arie Kranenburg die in 1977 werd vermoord door Knut Folkerts, lid van de terroristische Rote Armee Fraktion. Folkerts kreeg twintig jaar gevangenisstraf. Na uitlevering aan Duitsland kreeg hij daar levenslang, maar werd al in 1995 vrijgelaten. Joke Kranenburg kan het niet verdragen dat Folkerts nooit is gestraft voor de moord op haar man. 'Ik wil geen wraak, maar gerechtigheid', zegt ze. Het doet haar pijn dat 'kennissen hem alweer fluitend door Utrecht hebben zien lopen'. 'Elk jaar', zegt ze, 'begin ik met die rotzak in mijn hoofd.' Knut Folkerts heeft geen levenslang gekregen, maar Joke Kranenburg is levenslang gebonden aan de moordenaar van haar man.
Vreemde drang
Het derde element van Krols absolute strafleer, is dat hij zich keert tegen het onderzoek naar de oorzaken van het kwaad, zoals dat door de sociale wetenschappen gedaan wordt. Door dat onderzoek zijn we gaan denken dat degene die kwaad doet, zélf eigenlijk niet zo kwaad is, maar gedreven wordt door allerlei omstandigheden buiten zijn wil: slechte huisvesting, verkeerde ouders, werkloosheid. Krol weerlegt die gedachte door te wijzen op het feit dat zeer veel mensen die in dezelfde omstandigheden verkeren als de misdadiger, géén misdaad plegen. 'Waar ligt dan de oorzaak van het kwaad', vraagt Krol zich af. Zijn conclusie luidt: 'Als je aandacht besteedt aan de dader-waar-hij-alleen-maar-dader-was, een eenzijdig op de vernieling van een medemens gericht wezen, moet je niet bang zijn voor de gedachte dat je studie maakt van een monster.'
Daarmee komen we op het probleem van de tbs. Als tbs'ers op verlof opnieuw een misdrijf plegen, zeggen ministers en rechters vaak dat het systeem van tbs, dat gericht is op terugkeer in de samenleving, nu eenmaal risico's mee brengt. Ergerlijk is dat nooit iemand de oplossing te berde brengt die Gerrit Krol hiervoor bedacht heeft, namelijk een rechtvaardiger verdeling van die risico's. Nu ligt het risico voor de volle honderd procent bij het slachtoffer van de tbs'er. Het zou eerlijker zijn om het risico te verdelen over tbs'er en toekomstig slachtoffer. Wordt het risico bewaarheid - wordt er weer iemand vermoord - dan zou het niet meer dan rechtvaardig zijn om ook de dader te doden. En als we de doodstraf niet willen, dan zou toch in elk geval levenslang moeten volgen. Maar dat gebeurt zelden of nooit. De tbs'er die vorig jaar mei dat meisje uit de Achterhoek had ontvoerd en verkracht en bijna vermoord, kreeg tien jaar en nog maar weer eens tbs. Die tien jaar zijn natuurlijk veel te weinig voor de onvoorstelbare ellende die hij heeft aangericht en die tbs laat een even onvoorstelbaar behandeloptimisme zien. De Chinese ouders van het slachtoffer konden deze straf maar niet begrijpen. Ik ook niet.
Maar is het dan niet zo dat die tbs'er gedreven wordt door een vreemde drang van binnen, en er dus niets aan kan doen? Is hij niet 'een willoos object van zijn lusten'? Ja, zegt Krol, dat kan wel zijn, 'maar op het moment dat hij zijn voorbereidingen treft, is hij volstrekt niet willoos. Integendeel, hij biedt weerstand aan die almachtige lusten tot het geschikte moment gekomen is. Juist door zijn obsessie is hij in staat te bepalen: wie, waar en wanneer, en hoe. Hij weet precies wat hij doet. Hij kan erop worden aangesproken.'
Zeewater
Het vierde en belangrijkste element in de absolute strafleer van Gerrit Krol is dat hij de rechtvaardiging van de straf gelegen ziet in het herstellen van 'het verstoorde evenwicht der krachten in het sociale leven'. Dit punt komt het beste tot uiting in de romans Maurits en de feiten en De vitalist. De hoofdpersonen uit deze romans, Maurits en Johan, hebben een moord gepleegd.
Volgens Krol maakt een misdaad iemand nog niet tot een slecht mens. Iemand die een misdaad pleegt, maar zichzelf onmiddellijk aangeeft, bekent, berouw toont en zijn gerechte straf ondergaat, is niet slecht. Hij is pas slecht, wanneer hij zijn daad geheimhoudt, ontkent of verontschuldigt. En dat doen Maurits en Johan aanvankelijk. Maurits denkt: 'Ik schaam mij minder voor mijn daad, dan voor mijn pogingen deze te verbergen. Pas daarmee werd het een misdaad.' En over Johan heet het: 'Niet dat hij haar om het leven had gebracht, maar dat hij het had verzwegen - dat was zijn fout.' Een van zijn vrienden zegt: 'Een halfjaar zwijgen (over de moord) is zevenenzeventig maal erger dan een ogenblik van onbedachtzaamheid.'
Maurits en Johan worden niet gestraft voor hun moord. Het evenwicht dat zij door hun misdrijf hebben verstoord, blíjft verstoord - voor hun omgeving, maar ook voor henzelf. Maurits zegt tegen zijn ondervrager: 'Als ik een eind aan haar leven heb gemaakt, dan is er niets rechtvaardiger dan dat er een eind wordt gemaakt aan dat leven van mij.' Maar zijn advocaat stelt hem voor in hoger beroep te gaan: 'Ik denk dat we kunnen aantonen dat je onschuldig bent.' Als hij op vrije voeten komt, voelt hij die vrijheid als 'een verschrikkelijke leegte'. 'Als dit mijn leven is, stap ik er net zo lief uit', denkt hij.
Als Johan, de vitalist, op vrije voeten komt, gaat ook hij beseffen hoe stuurloos zijn leven is 'zonder het zicht op een gerechte voortgang'. En God, want God doet ook mee in het boek, zegt tegen Maurits en Johan hetzelfde: 'Jongen, je hebt een mens gedood, dat wil ik je vergeven, daar kun je wel mee in de hemel komen. Maar als je daarna jezelf niet hebt gedood, zal ik het je niet vergeven.'
Beide moordenaars beseffen dat de kosmische orde is verstoord doordat ze het leven van een ander hebben genomen, en dat herstel van die orde alleen mogelijk is doordat hún leven genomen wordt, is het niet door justitie dan maar door henzelf. Beiden lopen ze het water in en verdrinken.
Anders dan Knut Folkerts kunnen Maurits en Johan niet leven met hun vrijheid. Ze lopen niet fluitend door Utrecht. Ze hebben last van hun geweten.
'Het geweten van een mens', schrijft Krol, 'is niets anders dan het weten van de mensen om hem heen, in hem vertegenwoordigd.' Het geweten van Johan wordt vertegenwoordigd door zijn vrienden, die weten dat hij Barbara vermoord heeft en door Barbara zelf, die regelmatig aan hem verschijnt. Zijn vrienden komen op het idee om hem het recht op de kogel te geven: 'We laten hem alleen met een geladen pistool. Hij kan dat gebruiken om een eind aan zijn leven te maken.' Dat plan wordt niet uitgevoerd. Wel vertellen ze hem dat zijn gezelschap niet langer op prijs wordt gesteld. Ze zitten in een verlaten restaurant aan zee en laten hem een fles serveren met een glas. Hij drinkt. Het is zeewater.
Even later wandelt hij langs het strand. Met Barbara. Ze zegt: 'Soms heb ik het gevoel dat ik een even zware misdaad moet begaan als jij, om te bereiken dat je niet bang meer voor me zult zijn.' Ze stelt voor hem te dopen. En samen lopen ze de zee in.
IJkpunt
Beide romans zijn beklemmend, maar ze lopen goed af. In de zelfmoord van de moordenaars heeft het recht zijn loop. In het echte leven is dat meestal niet zo. Knut loopt fluitend door Utrecht. Geen geweten te bekennen. De overheid en het strafrecht zijn er voor hém, voor de misdadigers die niet zichzelf vonnissen en het vonnis niet zelf voltrekken.
Het is de grote verdienste van Gerrit Krol dat hij met kracht van argumenten en van zijn literaire talent het strafrecht weer bij de les heeft gebracht. Wat is die les? Die les is geen pleidooi voor herinvoering van de doodstraf. Maar het is wel een pleidooi om bij de bestraffing van zware misdrijven de doodstraf opnieuw in ons achterhoofd te houden. In de woorden van Krol: 'De doodstraf is een soort limiet of ijkpunt, dat ons ervan zal weerhouden ooit voor een zwaar misdrijf een jaar hechtenis een zware straf te vinden'.
De les van Krol is dat alleen in het misdrijf de eis en rechtvaardiging van de straf ligt. Deze opvatting is volgens Hazewinkel-Suringa zo oud 'als het bezinnend denken zelf' en 'nog steeds niet verouderd'. Dat is waar. Bovendien heeft het alternatief, het straffen om goede doelen te bereiken, opzichtig gefaald.
Alle pogingen om de dader te resocialiseren hebben niets uitgehaald. Het enige resultaat is dat het recht van de sterkste terrein heeft gewonnen. In deze krant van 17 oktober stond een interview met Willem Oosterbeek, die een boek heeft geschreven over de aanpak van criminelen in een jeugdgevangenis, waar hij drie maanden had mogen rondkijken. De jongeren hadden vaak zware misdrijven op hun geweten. Maar daar werd niet over gepraat. De groepsleiders wilden niet weten wat ze hadden uitgespookt omdat dat hun beeld maar zou vertroebelen. 'Ze zien ze als slachtoffer, niet als dader, zij vinden ze zielig.' Onder de jeugdgevangenen was één jongen de baas. Hij kon doen waar hij zin in had. Ook tegenover de groepsleiding.
Als je dit leest, denk je aan wat een personage in De vitalist zegt over ons hedendaagse onvermogen om te straffen: 'Scháám je desnoods voor wat je doet. Maar doe het. Straf. Durf te straffen.'
Dit is de tekst van de rede die Chris Rutenfrans heeft gehouden bij het symposium 'Literatuur die ergens over gaat - thema's in het werk van Gerrit Krol', ter gelegenheid van Krol's eredoctoraat aan de Vrije Universiteit op 21 oktober.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.