*

 

Ephimenco / Waarom staat Frankrijk in brand?

Edo Sturm − 11/02/06, 13:53

,,De sidderende haat heeft een intensiteit aangenomen die vooral de autochtone Fransen - de 'krijtkoppen', zoals de relschoppers ze noemen - fysiek heeft getroffen. Wie, zoals de zestigjarige Jean-Jacques le Chenadec uit het voorstadje Stains, een brand probeert te blussen, wordt zonder pardon in elkaar geslagen. De man raakte in een diep coma en stierf in het ziekenhuis.'' Volgens  Sylvain Ephimenco  vormen de werkloosheid en de discriminatie geen voldoende verklaring voor het ongekende geweld dat de afgelopen twee weken de Franse voorsteden heeft geteisterd. Hij beschrijft hoe het anti-blanke en anti-Franse racisme zich verbindt met een virulent islamitisch fundamentalisme. ,,In zeker 200 van de 600 tot 900 'gevoelige buurten' wordt een poging tot enclavevorming door islamisten geconstateerd. De bedoeling is om zones te stichten waar het Franse recht geen voet meer aan de grond krijgt. Deze cités worden als 'wetteloze zones' omschreven.''

Die desolate betonnen kolossen waaruit vandaag de wanhoop, de woede en de vernielzucht als rookpluimen opstijgen, waren oorspronkelijk voor ons gebouwd. Vanaf 1960 tot de onafhankelijkheid van Algerije in de zomer van 1962, stroomden de Franse repatrianten uit hun overladen boten en volgepropte vliegtuigen. Een miljoen gedesillusioneerde en berooide vluchtelingen, die hun 'terugkeer' naar een 'moederland' waar ze nog nooit geweest waren, als een vorm van ballingschap beschouwden.

De eerste opvang vond vaak plaats in kampen en schoolinternaten, maar algauw vloeiden de stromen repatrianten naar de 'cités' waar de grauwheid van het nieuwe bestaan tastbaarder werd. In deze assemblages van stenenblokken verdwenen mijn neven en nichten, ooms en tantes, vriendjes en kennissen. Ik heb erin gewoond en ik heb er heel wat gezien tijdens bezoeken aan familie en vrienden. In Saint-ütienne, Firminy, Aix-en-Provence, Orléans, Nîmes, Marseille, Aubagne, Lyon en Parijs. Ik ken de deprimerende eenzaamheid van hun torens en de smaak van het karige groen tussen het overwoekerende grijs. Met als enige horizon op tien- of twaalfhoog, een zee van geparkeerde auto's en aan de overkant al die andere hoekige bergen van gewapend beton, glas en ijzer.

Hoewel de uit Algerije teruggekeerde Fransen boordevol frustraties en bitterheid zaten, hoorde je ze zelden over hun huisvesting klagen. Dit was het lot en zo erg vond men deze flats in de voorsteden nog niet, met hun warm water, centrale verwarming en individueel toilet. De verwijten betroffen vooral de wijze waarop de ontvangende samenleving zich tegen de nieuwkomers had gekeerd. Vervuld van argwaan en ressentiment keken de autochtonen neer op deze armoedige nep-Fransen, voor wie een in hun ogen bloedige en onnodige oorlog was gevoerd. En nu ze als ratten hun overzeese departement hadden verlaten, kwamen ze ook nog het brood uit de mond van de echte Fransen stoten en hun baantjes inpikken. Discriminatie was in die tijd aan de orde van de dag.

Maar dat armzalige volkje stond ook bekend om zijn nijverheid en ondernemingsgeest. De meesten begonnen schoorvoetend te integreren. Er werd in die tijd niet vernield en er werd geen vandalisme tegen de eigen leefomgeving gepleegd. De liften werden niet gesaboteerd, de brievenbussen niet in de fik gestoken en in de kelders vonden geen groepsverkrachtingen plaats. De ouders voedden hun kroost streng en soms met harde hand op. De jeugd, die geen mobieltje, Nikes of Playstation bezat, kwam niet in opstand, ging niet de straat op. Er brandden toen geen scholen en geen voertuigen in de voorsteden.

Deze gezagsgetrouwheid zag je ook bij alle andere immigrantengroepen die vanaf de 19de eeuw in Frankrijk terechtkwamen. Italianen, Russen, Polen, Spanjaarden of Portugezen, allemaal zijn ze door een nog veel diepere ellende gegaan. Ze moesten van onderaf beginnen, werden uitgebuit en gediscrimineerd. Maar ook zij zetten hun eigen krottenwijken niet in lichterlaaie. Ze begrepen dat je niet op het respect van de ontvangende samenleving kunt rekenen als je die niet zelf respecteert. Hoe moeilijk de leefomstandigheden ook zijn.

Vanaf het einde van de jaren zestig zwollen nieuwe immigratievloeden aan. Een deel van de repatrianten begon de voorsteden te verlaten om elders een aangenamer bestaan op te bouwen. De lege plekken werden voornamelijk door Noord-Afrikaanse immigranten ingenomen. Ze kregen het niet makkelijk: karig loon voor hondenbanen, werkloosheid en, zoals alle andere arme immigranten vóór hen, discriminatie. Ik kan me nog herinneren hoe de eerste jeugdbendes, met overwegend Arabische jongeren, zich begin jaren zeventig in die troosteloze cités begonnen te roeren. Hoe scholieren bestolen werden, in elkaar geslagen en geterroriseerd. Er huisde toen, langer dan dertig jaar geleden al, heel wat frustratie en geweld in het hart van die nieuwkomers. Hun situatie was ook precair en hun gevoel van uitsluiting groter dan dat van hun voorgangers in de migrantengeschiedenis van Frankrijk. Maar die gewelddadige neiging was voor hun leeftijdgenoten angstaanjagend en het betreden van de cités werd steeds meer een hachelijke onderneming.

Drie decennia later staat een flink deel van Frankrijk in vuur en vlam. Het land zelf en de rest van de wereld kijken verbouwereerd toe hoe omvangrijke groepen migrantenjongeren als bendes moderne Attila's de techniek van de verschroeide aarde heruitvinden. Sinds begin jaren zeventig is de immigratie in Frankrijk explosief gegroeid en zelfs de wijde en kille voorsteden lijken te klein te zijn geworden. Een echt sociaal beleid en een meer attente integratiepolitiek zijn niet gevoerd. Er is de laatste dagen heel wat gezegd en geschreven over de cruciale fouten die de onachtzame opeenvolgende Franse regeringen hebben begaan. Het is ook allemaal waar. De verpaupering, de werkloosheid en de discriminatie. Maar omdat deze voedingsbodem ook aanwezig was bij eerdere immigratiegroepen, biedt zij geen voldoende verklaring voor de huidige crisis. Er moeten ook andere factoren in het spel zijn. De voornaamste acteurs van dit geweld mogen niet vrijuit gaan. We mogen ze niet naar de mond praten en daarmee bevestigen in het door hen zo gekoesterde slachtofferschap.

Het is opvallend hoe weinig structuur, laat staan idealisme, schuilgaat achter het geweld en de vernielzucht. De romantiek van de revolte is bij deze migrantenjongeren praktisch afwezig. Daarom is de vergelijking met de opstandige studenten uit 1968 volkomen uit de lucht gegrepen. Wat deze jonge criminelen aan journalisten opdissen, lijkt soms een gebrekkige samenvatting van alles wat ze sociologen, politici en de media altijd hebben horen zeggen: Armoedige leefomgeving, werkloosheid, uitsluiting en racisme, gebrek aan respect van minister van binnenlandse zaken Sarkozy of van zijn politie. Maar velen die zich 's middags bij hun interviewers beklagen over het gebrek aan voorzieningen in hun voorsteden, zijn de eersten die 's avonds met molotovcocktails hun eigen buurthuizen, scholen, sportcomplexen of bibliotheken in brand steken. Hun vernietigingsdrang voedt zich met de vreugde van de destructie.

Volgens Eric Denécé, onderzoeker en directeur van het Centre Français de Recherche sur le Renseignement, zijn de jongeren uit de banlieues helemaal niet uit op een baan, omdat die hun materialistische behoeftes niet zou kunnen verzadigen: 'Voor hen is werken geen grondwaarde, des te minder omdat het ontbreken van diploma's hun geen ander perspectief biedt dan matig of slecht betaalde banen met weinig aantrekkingskracht. Het is dus niet door te werken dat ze hun dromen zullen realiseren. Allerlei vormen van criminaliteit zijn in hun ogen veel aantrekkelijker. Het betreden van de illegaliteit wordt door hun ouders niet echt bestreden, omdat die weinig invloed hebben op hun zonen.' Dit doet me denken aan een opmerking van een bewoner van een getroffen voorstadje, een man van Noord-Afrikaanse komaf, die zich vorige week over de jongeren opwond: 'Ze zeggen dat ze geen werk vinden, maar ook al zouden ze een baan aangeboden krijgen, dan zouden ze die toch niet aannemen. Zelfs voor 100 euro per dag komen ze hun bed niet uit.'

Voor de Franse filosoof Alain Finkielkraut is het materialisme van de relschoppers de motor achter hun extreme daden. Zo zei hij vorige week op een Frans radiostation: 'De wereld van deze jongeren is de wereld van alles-nu-meteen, van de videospelletjes en de pornografie. Ze zijn in zekere zin de kinderen van de techniek en de instant consumptie. Hun ideaal is de volledige beschikbaarheid van wat ik wil, waar ik het wil en als ik het wil. En natuurlijk heeft de school geen enkele plaats in dit ideaal, omdat de school juist het geduld symboliseert. Men wil hun scholen, sportzalen en bedrijven geven, maar die willen ze nu juist vernietigen. Ze willen alles vernietigen wat een obstakel vormt tussen hen en de poen of de wijven.'

Vanzelfsprekend kan de ongekende explosie van geweld in de voorsteden niet alleen hiermee worden verklaard. Het zijn niet alleen voertuigen of gebouwen die, als symbool van overheid en ordehandhaving, worden aangevallen. Sinds twee weken weten sommige burgers dat de blinde woede van deze moderne vandalen zich ook tegen hun persoon kan richten. De sidderende haat heeft meermalen een intensiteit aangenomen die vooral de autochtone Fransen - de 'krijtkoppen', zoals de relschoppers ze ook wel noemen - fysiek heeft getroffen. Wie, zoals de zestigjarige Jean-Jacques le Chenadec uit het voorstadje Stains, een brand probeert te blussen, wordt zonder pardon in elkaar geslagen. De man raakte in een diep coma en stierf in het ziekenhuis. Bij Noisy-le-Grand werden blanke vrouwen aan hun haren uit hun auto's getrokken en gemolesteerd, terwijl hun voertuigen in vlammen opgingen. Enkele keren werden passagiers uit hun bus geschopt, die vervolgens in lichterlaaie werd gezet. Wie niet wilde of kon uitstappen, werd soms met benzine besprenkeld.

Het begint tot Frankrijk door te dringen dat er rassenhaat in het spel is. Finkielkraut: 'Dit zijn geen sociale onlusten, dit is geen revolte van de honger. Dit zijn etnische rellen, gericht tegen Frankrijk. Het is een gigantische antirepublikeinse pogrom.'

Sinds 8 maart dit jaar spreken de Fransen van een 'anti-blank en anti-Frans racisme' uit de voorsteden. Onlangs is er zelfs een tv-discussie aan dit nieuwe verschijnsel gewijd. Op die dag in maart werden blanke scholieren die in Parijs tegen de regering demonstreerden door honderden Arabische en zwarte jongeren uit de voorsteden aangevallen. Ze werden niet alleen van al hun bezittingen beroofd, maar met een ongekende wreedheid mishandeld. Ook al hadden ze alles van waarde al afgegeven. De enkele relschoppers die door de politie gearresteerd konden worden, verklaarden dat ze op die demonstratie waren afgegaan om 'blanken en Fransen in elkaar te slaan'. Er werd zelfs een petitie getekend door vooraanstaande (linkse) politici en intellectuelen, met de oproep 'stop het antiblanke racisme'. Een van de ondertekenaars, de Parijse magistraat Didier Peyrat, schreef later in het dagblad Libération: 'Wat is de oorzaak van deze bruutheid? Het genot om met geweld te kunnen heersen. Soms is het racisme dat in zijn meest zuivere vorm wordt uitgedrukt. De vraag is dan: zijn we het met elkaar eens dat het antiblanke racisme even onaanvaardbaar is als alle andere vormen van racisme, en dat het geen sociaal alibi mag krijgen?'

Zelfs Serge Romano, een vertegenwoordiger van de zwarte gemeenschappen in Frankrijk, erkende kort na de demonstratie dat 'jongeren naar Parijs waren getrokken om blanken in elkaar te rammen. Het is een catastrofe. We hadden het verwacht. Sommige jongeren putten hun inspiratie uit extremistische theorieën die uitgaan van een zwarte superioriteit'.

In de Franse banlieues zijn migrantenjongeren doordrenkt van de meest gewelddadige rapcultuur. Sommige van die nummers zijn regelrechte oproepen tot haat. Zo zingt de groep Monsieur R: 'Frankrijk is een slet / vergeet niet haar te neuken / totdat ze niet meer kan / als een hoer moet je haar behandelen / ik pis op Napoleon en generaal De Gaulle.' Minister Amer, een andere rapgroep, is explicieter: 'Wat een geluk om in Frankrijk te wonen / jammer kleintje dat je moeder je niets verteld heeft / over dit kutland waar ik zeven dagen per week / 24 uur per dag zin heb om op die krijtkoppen te schieten.'

Volgens een rapport over het fundamentalisme in Frankrijk, in september gepubliceerd door het Centre Français de Recherche sur le Renseignement, wordt dit soort racisme ook gebezigd in sommige godshuizen: 'In de fundamentalistische moskeeën wordt de islam door radicale predikers aan de man gebracht. Ze houden een pleidooi dat neerkomt op een breuk met de republikeinse instituties en ze prediken een virulent anti-Frans racisme en een obsessief antisemitisme.' De schrijver Bernard Raquin, auteur van het boek 'Un juif nommé Mahomet' illustreerde deze stelling eerder dit jaar in een interview met het radiostation Ici et Maintenant. Hij vertelde onder meer dat hij in Rouen een gesprek tussen twee moslimjongeren opving en tot zijn schrik een van die jongens hoorde zeggen: 'Ik kom net uit de moskee en ik weet het: ik mag de samenleving in brand steken'.

Het meest virulente islamitische fundamentalisme heeft zich uitgerekend in de voorsteden genesteld. Volgens een rapport uit juni 2004 van de Franse inlichtingendienst Renseignements Généraux wordt in honderden voorsteden het fenomeen van zelfopsluiting in de eigen gemeenschap waargenomen, dat door 'een krachtig opkomend islamradicalisme wordt gestimuleerd'. In zeker 200 van de 600 tot 900 'gevoelige buurten' wordt een poging tot enclavevorming door islamisten geconstateerd. De bedoeling is om zones te stichten waar het Franse recht geen voet meer aan de grond krijgt. Deze cités worden als zones de non-droit (wetteloze zones) omschreven. Dat deze banlieues ook nog het juk van criminele bendes moeten ondergaan, is voor fundamentalisten geen onoverkomelijk probleem. Een stilzwijgende samenwerking tussen beide groepen maakt volgens onderzoeker Denécé de situatie des te precairder: ,,Er bestaat een objectieve alliantie, hoewel deze niet systematisch is, tussen delinquenten en radicale 'baardmannen'. Het doel is van de voorsteden zones te maken waar het recht is verdwenen, waar de politie het buitengewoon moeilijk heeft en buiten wordt gehouden. Ver van de republikeinse orde kan dan zowel criminaliteit als radicaal islamisme opbloeien en in heuse terroristische netwerken uitmonden.''

Dat de invloed van het radicalisme op de huidige relschoppers merkbaar is, getuigen enkele ongecensureerde beelden van het tv-station Canal Plus waar te zien is dat moslimjongeren met kreten als Allahu Akbar hun aanval op de ordetroepen inzetten. De Franse liberale moslima Fadela Amara die de beweging Ni putes ni soumises (noch hoeren noch onderworpenen) leidt, constateert afgelopen donderdag in de Belgische krant De Morgen: 'Ik wil hier beklemtonen dat het begin van de rellen niet werd veroorzaakt door delinquenten. Het waren vrienden, sympathisanten en familie van de twee jongens die werden geëlektrocuteerd. Maar heel snel sloegen ze over op andere banlieues en daarna op andere steden. En dat is het werk van het echte geboefte. Drugshandelaars, gangsters maar ook en zeker de islamisten van de banlieues, die hun uiterste best doen om de rellen nieuw leven in te blazen. Dat is pas geboefte.' De Renseignements Généraux schat het aantal radicale moslims die in de Franse voorsteden actief zijn op 300000 tot 500000.

De spectaculaire incidenten die de laatste twee weken tot een 'libanisering' van de Franse steden heeft geleid (volgens het weekblad Le Point stonden er gedurende de hele oorlog in Libanon minder auto's in brand dan nu in Frankrijk), leidden bij de tegenstanders van het Franse integratiemodel tot een juichstemming. Een strikte scheiding tussen kerk en staat zou volgens deze critici averechts werken. Dat volgens een meerderheid van de Franse publieke opinie niet het integratiemodel, maar de expansieve immigratie van de laatste decennia de bron van de huidige crisis vormt, is nog een betrekkelijk taboe. Behalve misschien voor het Franse weekblad Le Point, dat deze week in zijn commentaar schrijft: 'De laatste dertig jaar heeft de vloed van een ongecontroleerde immigratie, die heel ver afstaat van onze godsdienst, onze zeden en wetten, het trage werk van een gelukkige integratie bij voorbaat onmogelijk gemaakt.'

mailIcon print |