'Deze intelligente vrouw had Christus gezocht en Christus verlaten, en toch wekte ze de indruk dat ze nog steeds diep-religieus was. Zo iemand scheep je niet op met dooddoeners, zo iemand maakt je stil. In haar broze gestalte balde zich het failliet van het behoudende christendom samen.' Jan Oegema signaleerde in L&G van 19 maart een 'nieuwe religieuze bloedgroep': de soloreligieuzen. In Utrecht ontmoet hij de vrouw die hem inspireert tot een tweedelige beschouwing over Minimaal Christendom.
Op 20 mei 2005 toog ik naar het Studiecentrum van de Protestantse Kerken in Nederland, gevestigd in een voormalig ziekenhuis in de stad Utrecht. Er zou daar een discussie plaatsvinden over het fenomeen dat ik een paar maanden daarvoor in dit katern had gesignaleerd: de soloreligieus. Het werd een gedenkwaardige middag. Opnieuw werd duidelijk dat mijn profiel van de nieuwe religieuze bloedgroep ook binnen de christelijke wereld in de smaak viel. Het was me al eerder opgevallen door de vele post die ik had ontvangen na het verschijnen van het essay 'De toekomst der religie is begonnen'.
Aanvankelijk was ik erdoor verbaasd, ik had er immers geen doekjes om gewonden: voor soloreligieuzen is het christendom voorgoed voorbij. Maar door al die brieven begreep ik dat de ontvadering ook in de kerken serieus heeft toegeslagen. Ontwikkelde christenen wijken in grote getale uit naar de poëzie, literatuur, kunst, filosofie, dorstend naar nieuwe woorden, vurig hopend op inzichten die het groeiend ongeloof kunnen temperen. Wat dat betreft verschillen ze in weinig van de afvalligen die na het afscheid van het geloof hunner vaderen hun zoektocht onder de leeslamp voortzetten.
De soloreligieuzen krijgen dus gezelschap van een aanzienlijke schare dissidenten binnen de kerk. Samen vormen ze de grensgangers van het christendom, waarbij de onderlinge herkenning sterker zal worden naarmate de kerkelijke binding afneemt. Het dichtst bij de soloreligieuzen staan de zondagsweigeraars, de randkerkelijken die een studieclub of werkgroep prefereren boven een bezoek aan de mis of de eredienst. Een dominee uit Wassenaar, eentje met de prettig anarchistische inslag die zelfs een verstokte afvallige doet ontdooien, schreef me: 'Het type dat jij beschrijft herken ik in heel wat mensen die toch nog meer of minder met de kerk verbonden zijn, vaak via een van onze kringen. Van kerkelijk geneuzel merk ik weinig, daar heeft niemand interesse in.'
Benedicta
Of dat laatste klopt of niet (want een soloreligieus blijft altijd een tikje argwanend tegenover de gelovende medemens) - de middag in Utrecht was aangenaam open, de bijeenkomst had iets weg van een familiereünie. De nieuwsgierigheid was groot, en, naar bleek, soms ook de eenzaamheid, zowel onder de kerkelijken als onder de onkerkelijken, die overigens gelijkelijk vertegenwoordigd waren. Een oude vrouw vertelde dat ze vroeger non was geweest, dat ze het tussen de strenge muren van het klooster niet had uitgehouden, meer en meer hadden de brevieren haar verstikt, uiteindelijk was ze uitgetreden om Nederlands en kunstgeschiedenis te studeren. Ze had ruim vijfentwintig jaar voor de klas gestaan en zat nu in een bejaardenflat, te midden van Telegraaflezers, niet wetend waar ze het met haar ziel moest zoeken. Naar de mis wilde ze niet meer, maar kon iemand haar een alternatief suggereren?
Op dat moment kon niemand dat, of liever gezegd: niemand durfde dat. Deze intelligente vrouw had veel doorleefd en doordacht, ze had Christus gezocht en Christus verlaten, en toch wekte ze bij haar luisteraars de indruk dat ze nog steeds diep-religieus was. Ze leek een mens dat alleen nog vragen stelde, de meeste antwoorden had ze vermoedelijk al bedacht. Zo iemand scheep je niet op met dooddoeners, zo iemand maakt je stil. In haar broze gestalte balde zich het failliet van het behoudende christendom samen, ik werd zo woedend dat ik de eerste de beste prelaat graag het luie oog had uitgerukt.
Op die stoel, drie meter voor mij, zat de schande van de kerk. Laten we haar Benedicta noemen, want een beetje zegen kon ze wel gebruiken. Voor haar voeten lag een paar krukken, kennelijk was ze slecht ter been.
Even later kwam een andere vrouw aan het woord, een stuk jonger, en naar het zich liet aanzien een stuk blijer. Ik ben wel lid van een gemeente, zei ze, en ik snap heel goed waarom veel mensen afhaken. Maar jullie - ze bedoelde de andere helft van de zaal, de helft die zich steeds vrijmoediger als soloreligieus bestempelde - jullie moeten je wel realiseren dat we hier bij elkaar zitten omdat we iets delen. Of jullie het nu leuk vinden of niet, we delen een traditie, die traditie heeft ook jullie gevormd, ze heeft jullie gebracht tot waar je nu bent. Zonder christendom geen soloreligieuzen. Daar zat iets in.
Liefde
Ik ging de zomer in met die twee vrouwen in mijn hoofd. Voor de eerste had ik als het ware mijn stuk geschreven; maar de tweede bracht me aan het denken. Ik realiseerde me dat ik nog op allerlei manieren met het christendom verbonden ben, dat veel van wat ik voel, denk en schrijf eraan te danken heb. Een kerkdienst op tv zap ik weg, ik erger me aan de zelfverzekerdheid van Andries Knevel, theologische traktaten vind ik vaak ongenietbaar, en zo kan ik nog even doorgaan. Toch ben ik uitgever van heel wat stichtelijks, ik heb poëzie uitgebracht van de vorige paus, Karol Wojtyla, een prekenboek van Huub Oosterhuis, de dagboeken van Willem Barnard en een zomerdagboek van Willem Jan Otten.
Hoe zit dat precies? Ben ik een spijtoptant? Een stiekeme weifelaar? Nee, dat is het niet. Kennelijk ben ik verknocht aan een traditie die mij afstoot. Sterker, hier is liefde in het spel. Dat merk ik bijvoorbeeld wanneer ik geconfronteerd wordt met het exotisme van de new age, verzamelnaam van allerlei misleidende filosofietjes die de mens uitroepen tot schepper van zijn eigen lot en het ego bekleden met een macht als was het God op aarde. Tegenover Jung-adepten, Coelho-lezers, reïncarnatietherapeuten en personal councelors voel ik me een volstrekte vreemde, hun allesweterij wantrouw ik tot op het bot. Kom ik ermee in aanraking, dan merk ik hoe zeer ik hang aan het christelijke wereldbeeld en zijn beklemtoning van kleinheid, onwetendheid, ijdelheid, spiritueel tekort. Eén blik in de helle ogen van een esoterica en ik verlang hartstochtelijk naar een gedicht van Ida Gerhardt of Guillaume van der Graft.
Wat me deed concluderen dat ik, soloreligieus en wel, nog altijd midden in het christendom sta, al is het dan op een andere plek dan de gereformeerde familie waarbinnen ik ben grootgebracht. Dat maakte me nieuwsgierig. Waar sta ik dan, wat denk ik precies? Het zou goed kunnen dat ik, man met een ongelovig maar mystiek hart, er een privé-christendom op na houd dat ik niet als zodanig heb durven onderkennen uit weerzin tegen de kerk. Die weerzin is alleszins te billijken, intellectuele bangigheid niet. Zou ik mijn eigen versie durven opschrijven zonder angst voor progressieve theologen met hun irritante annexatiedrift? Zonder angst voor solitairen, agnosten en atheïsten die mij meewarig zullen afschrijven als essayist?
Minimaal
Maar, zo bedacht ik vervolgens, Andries Knevel en Joseph Ratzinger bezitten niet het monopolie op het christendom. Wie zijn idee daarvan hoofdzakelijk door types als zij laat bepalen, kent hen meer macht toe dan zij verdienen. Daarbij: de verscheidenheid aan beelden, opvattingen, houdingen en rituelen binnen de christelijke traditie is zo groot, dat het mogelijk moet zijn om daaruit een acceptabele uitsnede te maken. Per slot is het christendom óók een geschiedenis van mystici, gnostici, ketters en andere sympathieke dwarsliggers. Waarop ik besloot het waagstuk aan te gaan, niet alleen geïnspireerd door de twee dames in Utrecht, maar ook door een essay dat opnieuw op mijn weg kwam: 'Ik geloof dat ik geloof' van de Italiaanse filosoof Gianni Vattimo (Turijn, 1936).
In de jaren tachtig verwierf Vattimo faam als woordvoerder van 'het zwakke denken' en ontwikkelde hij een eigen secularisatietheorie. In de jaren negentig keerde hij terug tot het katholicisme, uitvloeisel van een denkproces dat hij typeert als 'een nihilistisch hervinden'. 'Ik geloof dat ik geloof' (uit 1996) is bedoeld als de filosofische verantwoording van dat proces. Een fascinerend betoog, dat slechts op een punt teleurstelt: de praktische consequenties. Vattimo kruipt weer als vanouds in de kerkbanken en verzuimt na te denken over alternatieven voor credo, wijwater en beurtzang. Het is vreemd dat hij zijn 'zwakke' geloven wil voortzetten in een spijkerhard instituut dat als bekend weinig ruimte laat voor experimenten.
Ik ga een stap verder dan Vattimo, ik kom uit op een sceptisch, literair, meditatief christendom dat in veel opzichten afwijkt van het bekende. Ik noem het Minimaal Christendom, want het is een christendom dat veel wegstreept en weinig overhoudt. Het voelt zich niet thuis in galmende kerken, het huldigt een onzeker, ambivalent godsbesef, het staat afwijzend tegenover de christologie en het wil de betekenis van Jezus sterk relativeren. Het bidt niet en het zingt niet, het heeft een hekel aan de kitsch van kerst en de krachtpatserij van Pasen (ofschoon Vattimo met dat laatste volmondig zal instemmen). Daarentegen geniet het van de vele schitterende teksten uit de Bijbel en de omringende literatuur, terwijl het tegelijkertijd huiverig is voor hoofdletters en grote woorden. Daarom draait het in zijn rituelen de verhouding tussen woord en niet-woord radicaal om. Het beoefent oosterse meditatietechnieken en stelt de stilte centraal; wat dat betreft doet het graag zijn voordeel met de kennis (en trouwens ook met het mensbeeld en de psychologie) van het boeddhisme.
Virtueel
Natuurlijk is dit christendom virtueel. Het is slechts mijn persoonlijke synthese van ideeën en verlangens die je bij heel wat progressieve christenen, randkerkelijken en soloreligieuzen zult kunnen aantreffen. Natuurlijk doe ik weinig meer dan hardop dromen - maar zo, met de articulatie van dit alternatieve, ontknevelde christendom, creëer ik voor mezelf een mogelijkheid om me opnieuw te kunnen verhouden tot het geloof van mijn jeugd. Ik zoek een manier om daar onbevangen tegenover te staan, wetend dat veel van wat ik ga zeggen nog de sporen zal dragen van angst, ergernis of argwaan. Dat zij dan maar zo. Here, zie mij staan, ik kan niet anders, zuster Benedicta kwam op mijn pad. Voor dit moment moeten Hij en zij maar vrede hebben met de poging.
Overigens zullen heel wat soloreligieuzen niet het nut van deze onderneming inzien, zij hebben geen trek meer in enige vorm van actief of intellectueel christendom. Mijn zegen hebben ze, Minimaal Christendom wil niemand overreden of bekeren, ter linker noch ter rechter zijde. Evengoed hoop ik dat dit experiment navolging zal vinden, in die zin dat het ook andere soloreligieuzen zal prikkelen zich te bezinnen op hun eigen religieuze wortels, ongeacht of die in het christendom liggen of elders. Ik zou het bijvoorbeeld spannend vinden wanneer vrijgevochten moslims hun eigen versie van de islam opschrijven, en idem dito voor schrijvers en intellectuelen met een andere achtergrond.
Voor mij is dit alles uitvloeisel van het ideaal dat ik in mijn eerste essay over de soloreligiositeit formuleerde. Als ik mij wil ontwikkelen tot een vrije religieus, dan betekent dat voor mij bij nader inzien óók dat ik mijn krampachtigheid tegenover het christendom zal moeten verliezen. Zonder dit van de weeromstuit weer zaligmakend te verklaren, want dat is het niet. Mijn minimalistische christendom is slechts een van mijn inspiratiebronnen, naast kunst, wetenschap, boeddhisme, mijn vrienden en familie, de liefde, Heineken en Ajax.
Chimpansee
Minimaal Christendom presenteert zich dus niet als de nieuwe weg, maar als een alternatief. Het wil niemand iets afnemen, niemand beledigen. Het is een christendom aan het einde van de metafysica en het theïsme, het erkent dat de mens noch in de filosofie, noch in de religie in staat is gebleken uitspraken te doen die de totaliteit van de menselijke leefwereld bevredigend omschrijven.
Dergelijke uitspraken verraden altijd de beperkingen van land, taal, historie, cultuur, bewustzijn en wetenschappelijke ratio. Beweren dat niemand de waarheid in pacht heeft is een goedmoedig cliché; ze is ons eenvoudigweg nooit ter hand gesteld, onze hersens zijn er niet op berekend. Wie meent dat we hoog uittorenen over de ons verwante primaten, verraadt een fataal gebrek aan zelfkennis. Het verschil tussen de mens en de chimpansee komt voor rekening van 3,5 procent van ons DNA. En net als bij de chimpansee zijn onze hersenen ingesteld op overleven, denken is een soortgelijke activiteit als eten, zweten, poepen en bananen plukken.
Minimaal Christendom is daarom nuchter en bescheiden. Het trekt een eenvoudige en verrassende conclusie uit de teloorgang van de waarheid: dat ze vanaf nu ook het fundament mist om andersdenkenden van dwalingen te beschuldigen, zolang die zich niet bezondigen aan uitbuiting, discriminatie of geweld. Minimaal Christendom is een weldenkend geloven, de redelijkheid, de caritas en het welbegrepen eigenbelang zijn haar enige houvast. En de redelijkheid gebiedt elke gelovige het zijne te gunnen, om een tolerantie te betrachten die soms veel weg heeft van gezonde onverschilligheid.
Taboe
Deze tolerantie is wat progressieve christenen, randkerkelijken en ongebonden solitairen in feite nu al in praktijk brengen. Zo lang er geen sprake is van fundamentalistische excessen, voelen zij doorgaans weinig behoefte om traditionele christenen te corrigeren of met hen in debat te gaan. Ze kunnen hun gelijk niet bewijzen, ze hebben bovendien een hekel aan bijbelen en betweterij. Als mijn moeder mij een kaartje stuurt ter aankondiging van het feestje voor haar 65ste met als motto 'De Heer is mijn herder', denk ik alleen maar: lieve moeder, laat hij je herder zijn.
Maar zoals ik tolerant ben tegenover orthodoxe gelovigen, zo vraag ik ook tolerantie voor mijn soort christendom. Die tolerantie begint bij de erkenning en doorbreking van een taboe. Namelijk: het taboe op intelligentie. Anders dan in het boeddhisme rust er in de hele geschiedenis van het christendom een doem op de ontwikkelde mens. De krampachtigheid en kromtaal van hele generaties theologen is ten dele daaraan te danken. Zij moeten zich onderwerpen aan voorstellingen ver buiten ieder realistisch en rationeel levensbesef. Voor mij echter begint geloven met de aanvaarding van het voorhandene en met een kousbroekiaans ongeduld tegenover fantasma's en wonderen. Zelfs al zou het waar zijn dat Jezus over water heeft gelopen, dan nog is het een oneindig groter mirakel dat wij met onze voeten over deze aarde wandelen (dit stekelige grapje komt van de Vietnamese vredesmonnik Thich Nhat Hanh).
Minimaal Christendom is een geloof voor de nadenkende, beschouwelijke, eigengereide mens. Verschillen zijn er nu eenmaal, laten wie die niet verdoezelen. De een heeft domweg andere behoeften dan de ander. De kerken hebben een strategische fout gemaakt door al hun kaarten op gemeentevorming te zetten en geen ruimte te scheppen voor de individuele ontwikkeling van intellectuelen, kunstminnenden en andere eigenzinnigen. Met als gevolg dat de godshuizen in Nederland blijven leeglopen en nu in hard tempo vergrijzen en ver-EO-iseren. Zij dragen mede schuld aan de verwezing van grote groepen religieus gevoeligen. Onder wie Benedicta , dakloze zuster van een bang en fantasieloos instituut dat alleen cosmetische antwoorden heeft op de secularisatie en zich doof houdt voor filosofen die beweren dat die verfoeide secularisatie misschien wel de innerlijke bestemming van het christendom is.
Monty Python
Dat laatste is een stoutmoedige en speculatieve theorie van Vattimo (die daarbij leunt op inzichten van Nietzsche, Heidegger en vooral de Fransman René Girard). Voor hem begint de secularisatie niet ergens in de negentiende eeuw, maar in het jaar nul, of zelfs nog daarvoor. Secularisatie is in zijn ogen een langdurig, moeizaam en nog lang niet afgerond proces waarin de mens zich bevrijdt van zijn primitieve oorsprongen en zich ontwikkelt tot een redelijk denkend en rationeel handelend wezen.
Belangrijk moment daarin is de komst van Jezus, die volgens Vattimo niets wil weten van een toornige God die gezag afdwingt door rampen en zondvloeden, een God die zich alleen laat vermurwen door zondebokken en offergaven. Jezus maakt een einde aan een godsdienst waarin het heilige wordt geïdentificeerd met retorisch dan wel fysiek geweld, hij wil het heilige uitsluiten definiëren in termen van liefde, vriendschap en solidariteit.
Maar hoe kan het dan dat Jezus eindigde aan het kruis, bij uitstek het symbool van bloed, vergelding, slachtofferschap? Vattimo geeft hier een soortgelijk antwoord als de makers van 'The Life of Brian', de schitterende Monty-Pythonfilm waarin een sympathieke sukkel - toevallig de buurman van Jezus - per ongeluk op Golgotha belandt. Jezus' executie is een vergissing, een akelig misverstand.
Zijn vroegtijdige einde had voorkomen kunnen worden wanneer de mensheid zijn missie had begrepen. Jezus kwam niet ter wereld om de Vader een geschikt slachtoffer voor zijn toorn te bieden, nee, zijn opdracht was 'om de band tussen het heilige en het geweld aan het licht te brengen en daarmee ook teniet te doen. Hij werd ter dood gebracht, omdat zo'n onthulling onverdraaglijk blijkt voor een mensheid die wortelt in de gewelddadige traditie van offerreligies.' Jezus bleek uiteindelijk dus niet opgewassen tegen de primitieve reflexen die hij wilde bezweren.
Stadsschouwburg
Volgende vraag is dan: waarom blijven de kerken toch zo gebiologeerd door de man van smarten? Vattimo's antwoord daarop is simpel. De secularisatie is niet voltooid, het christendom heeft de krachtige overblijfselen van de natuurgodsdiensten nog lang niet overwonnen. Dat lijkt me ook een van de belangrijkste redenen waarom het progressieve theologen niet lukt om zich van Jezus los te maken.
Verzoening, opstanding uit de dood, twee-naturenleer, dat hebben ze allemaal naar het rijk der fabelen verwezen. Ze verdedigen Jezus hooguit nog als voorbeeldmens, superhumanist, wijsheidsleraar, wegwijzer naar het jodendom, inspirator in de strijd tegen onderdrukking, daarbij niet beseffend dat zij van hem een figuur maken die eenvoudig inwisselbaar is voor historische figuren met vergelijkbare kwaliteiten. Maar als Jezus slechts een mens was (met alle feilbaarheden van dien), dan is er geen reden meer om hem stiekem te blijven verafgoden.
De werkelijke oorzaak van de halfslachtige Jezusliefde van moderne theologen is de zuigkracht van de mythe. Het lukt hun niet de Jezus van hun jeugd volledig los te laten. In zijn studie 'Jezus: nalatenschap van het christendom' rept Harry Kuitert, de moedige afpeller van het christelijk geloofsgoed, over 'het aangrijpende, onthutsende drama van het verraad, van de kruisiging, van de godverlatenheid'. Met die woordkeus geeft hij onbedoeld aan dat hij op een ander niveau dan het intellectuele nog steeds geraakt wordt door het klassieke lijdensverhaal. Dat is allerminst een schande, wie als kind met het evangelie wordt geïmpregneerd blijft een leven lang gevoelig voor de geestverlammende magie die uitgaat van de bloedende, bezwete, gepijnigde godenzoon. Maar er kan een moment komen waarop het kind wakker wordt en beseft dat de doornenkroon een appèl doet op een romantiek waartegen een volwassen mens zich behoort te verzetten.
Minimaal Christendom distantieert zich van het mythische christendom, het wantrouwt de donkere stem van het bloed. Het vindt dat de Golgotha-scène niet thuishoort in de kerk maar in de stadsschouwburg, sedert eeuwen de plek van de tragedie, de plek waar de moderne mens zichzelf confronteert met zijn taaiste instincten en griezeligste verlangens. En als de kerk toch het toneel moet zijn, dan welgeteld één keer per jaar, bij de opvoering van de Mattheus Passion.
Dadaïst
Met dit alles wordt Jezus Christus niet uitgewist, hoe zou dat in onze cultuur ook kunnen. Wel verliest hij zijn vooraanstaande positie en kan hij niet meer rekenen op onze kinderlijke afhankelijkheid. Hij kan wel degelijk een bron van inspiratie blijven, zij het dan dat hij geduchte concurrentie moet dulden bij alle rollen waarmee zijn complexe persoonlijkheid wordt opgetuigd (je zou beter kunnen zeggen: bedwongen). Als humanist blijft hij achter bij Erasmus; als kenner van de ziel moet hij in Prediker zijn meerdere erkennen; als religieus genie had hij het nodige kunnen opsteken van Boeddha; als spiritueel leraar moet hij Ruusbroec en Sogyal Rinpoche laten voorgaan. Zelfs Sigmund Freud was een beter psycholoog, en kan zich in elk geval beroemen op een overtuigender en realistischer beschavingsideaal. Lees ik het evangelie van Marcus (volgens bijbelwetenschappers de meest betrouwbare bron), dan vermoed ik achter het zichtbaar geromantiseerde hoofdpersonage een grillige charismaticus wiens voorbeeldigheid makkelijk wordt overschat.
Toch, om weer over te schakelen van historie naar mythe en archetype, houd ook ik er een ideale Christus op na. Samen met een grote schare schrijvers en kunstenaars ben ik vooral gecharmeerd van de religieuze dadaïst, de wettenbreker, de sabbatschender, de ontmaskeraar van de schone schijn. Hij is een virtuoos van de omkering: liefde gaat bij hem voor de wet, de arme voor de rijke, de caritas voor de zelfzucht. Hij doorbreekt de orthodoxie, verbrijzelt alles wat neigt naar verstarring en verstening, zo ook de orthodoxie van mijn soms hardleerse ego, dat zich dagelijks toelegt op controle, zelfbehoud en nodeloze verrijking.
Mijn ideale Christus staat voor tegenwoordigheid van geest, freischwebende Intelligenz, gek genoeg zweeft die Intelligenz een beetje om me heen nu ik hem verlos van de schedelplaats en Gianni Vattimo een handje help de harde structuren in het christendom te verzwakken. Déze Christus is ongetwijfeld een grote fan van de secularisatie. Hij staat naast me en fluistert me in een autonoom mens te zijn en vooral mijn eigen pad te volgen.
Maar opnieuw: er is geen enkele reden deze archetypische Christus middelpunt te maken van een cultus. Als we het theater betreden, steken we geen kaarsjes op voor Orestes, Oedipoes, Medea of Iphegeneia. Zij zijn voor ons geen voorwerp van heiliging maar van contemplatie, hun lotgevallen doen ons nadenken over onze eigen ambities, keuzes en gedragingen.
Diezelfde rol kan ook Christus vervullen, hij is een held van gelijke rang als al die andere personages die we in ere houden als bevragers van onze ziel. En wélke rol hij speelt mag ieder zelf bepalen, de ene Christus (want er zijn er vele) is niet minder dan de andere. Ik kies voor eentje van anarchistische, gnostische snit - maar dat is slechts een persoonlijke keuze die ik niemand ten voorbeeld zal stellen. Want hij mag me in die hoedanigheid dierbaar zijn, hij is me niet heilig. Hij zou het zelfs als een domheid beschouwen als ik me op mijn knieën zou werpen om tot hem te bidden.
Een lied voor zuster Benedicta II
door Jan Oegema, 7 jan. 2006
Vandaag deel twee: 'Zeg eens zuster Benedicta , heeft mijn lied je kunnen troosten? Voor mij vertegenwoordig jij een van de integerste soorten christendom van dit moment - een naakt christendom dat alle mottige kleding heeft weggedaan en bibberend wacht op een schoon hemd.'
Hoog tijd om ons weer te bekommeren om zuster Benedicta . Wat schiet zij op met een Minimaal Christendom? Wat hebben zij en met haar vele progressievelingen, weifelaars en buitenkerkelijke solitairen aan een christendom dat de betekenis van zijn naamgever vergaand relativeert?
In eerste instantie heel weinig, want Minimaal Christendom doet weinig meer dan de crisis benoemen die sinds enkele decennia epidemische vormen kent. Voor grensgangers heeft het christendom zijn vanzelfsprekendheid al lang verloren, precies dat is de reden van hun verlegenheid en rusteloosheid. In tweede instantie echter ligt in die illusieloze benaming ook een kans. Als je Minimaal Christendom zonder al te grote overdrijving definieert als een christendom zonder Christus en dus zonder midden, opent dat nieuwe perspectieven, maakt dat een andere kijk op de geschiedenis mogelijk. Zo wil het ons aansporen om het ongelukkige onderscheid tussen een Oud en een Nieuw Testament (met zijn ongehoorde repercussies in de gloedvolle carrière van het antisemitisme) te laten vallen en te denken in termen van een Permanent Testament.
Want vanaf het moment dat het christendom zich niet meer wil beroepen op één oergebeurtenis, bestaat de zin van zijn geschiedenis in die geschiedenis zelf. Het bestaat niet langer bij de gratie van één openbaring die alle andere in de schaduw stelt, maar bij de gratie van een onafzienbare reeks openbaringen (in de zin van: onthullingen, ontdekkingen, formuleringen) die doorgaat tot op de dag van vandaag. In het Permanent Testament zijn de preken van Meister Eckhart, de geschriften van Cees den Heyer en de gedichten van Wyslawa Szymborska even belangrijk als Genesis, het Hooglied, de evangeliën en de geloofsbelijdenis van Nicea. Het PT brengt geen rangorde aan, het biedt al die teksten aan als even zovele plaatsen waar de eeuwig veranderlijke God zijn gezicht toont, als een zwaan die nieuwsgierig naar zijn evenbeeld speurt in Heraclitus' eeuwig rimpelende water.
Al heeft het zich altijd beroepen op een onveranderlijk leerstuk, het christendom heeft zich in feite altijd aangepast aan de grillen en behoeften van de tijd. Minimaal Christendom onthult en omarmt die wens tot aanpassing en toe-eigening als een wezenlijke en vitale kracht. Het zegt dat we ons moeten identificeren met de geschiedenis, vrijmoedig de tekenen des tijds moeten lezen en de vrijheid moeten nemen om het PT te verrijken met nieuwe teksten en verfrissende, soms ontluisterende lezingen van bestaande.
Kaars
Niets ligt vast, behalve de behoefte van de onderzoekende mens om te blijven lezen en interpreteren. Minimaal Christendom wil opereren vanuit een onbevreesde omgang met de traditie, dat wil zeggen: vanuit respect voor de geschriften maar met even groot respect voor het eigen intellect. Zij manifesteert zich onder het half-ironische motto er staat geschreven maar ik zeg u, ironisch, want zij heeft Jezus niet nodig als hoogste of laatste autoriteit. De sacralisering van het verleden doorziet zij als een poging om het geschrevene een transcendente status te verlenen en zo zijn contingente karakter toe te dekken. Maar er is niets dat ontsnapt aan zijn historiciteit; elke periode, elke generatie, elk nadenkend mens heeft de opdracht de waarheid te zoeken in het volle besef van haar betrekkelijkheid en vergankelijkheid. De Heilige Schrift is pas heilig wanneer ze herschreven wordt - en naar believen aangevuld of uitgegumd.
Daar ligt de winst voor zuster Benedicta en de haren. Zij heeft even veel recht op haar versie van het erfgoed als bisschop Simonis op de zijne, zij is evenzeer gerechtigd om als woordvoerder en uitvoerder op te treden als hij. Omdat het christendom geen centrum meer heeft, hoeft zij zich niet meer te beschouwen als marginaal en perifeer (al zal ze dat in getalsmatig opzicht wel blijven).
Als ik haar zou meenemen naar een kring van de Wassenaarse dominee, als we daar iedere woensdagavond met een groepje rond een kaars zouden plaatsnemen, een half uur in stilte zouden mediteren om vervolgens fragmenten van Eckhart of een moderne dichter te lezen, dan creëren we een moment van heiligheid waarmee we middenin de christelijke traditie staan. We experimenteren met een eigen liturgie, een beetje ongewone weliswaar, een beetje onwennige ook, maar voor een buitenaards wezen (God bijvoorbeeld) vast niet ongewoner of onwenniger dan een mis in een buurtkerkje van Arnhem of een eredienst in de grote kerk van Staphorst.
Minimaal Christendom geeft zuster Benedicta als het ware het christendom terug. Nee, niet het ware christendom - dat bestaat niet. Er is niet langer een norm of standaard. Het ene ritueel is niet minder dan het andere, zoals een profane tekst niet minder religieus of belangwekkend hoeft te zijn dan een sacrale. Het PT voedt zich met allerhande teksten (of dvd's, documentaires, kunstwerken, websites), het weet immers dat het niet kan terugvallen op een boodschap of een gebeurtenis die het zonder uitleg kan stellen. Het wantrouwt de intuïtieve waarheid van de mythe, en hoe meer het daarvan afstand neemt (in tijd, in mentaliteit), des te meer beseft het afhankelijk te zijn van een hermeneutiek zonder einde. Het plooit zich naar de noden van een mensheid die weinig andere keus heeft dan zich in alle richtingen te oriënteren, wil zij in contact blijven met een samenleving en een wetenschap die wedijveren in complexiteit.
Het PT heeft dus, meer dan ooit tevoren in de geschiedenis, het karakter van een Permanent Veranderend Testament. Vattimo stelt terecht dat voor de beschouwelijke mens 'de redding via de interpretatie verloopt' - het heilige presenteert zich op momenten van inzicht, en die kunnen zich evengoed aandienen bij een gedicht als bij een cultuursociologische studie, bij een bijbelfragment of bij een VPRO-documentaire.
Een beroemde lotgenoot van zuster Benedicta , Karen Armstrong, schrijft daarover iets behartenswaardigs in het voorwoord van haar biografie. Nadat ze het klooster had verlaten en haar universitaire studies had afgerond, ging ze schrijven en voor de tv werken. Ze verdiepte zich in de geschiedenis van het christendom en in andere religieuze tradities - en juist het onderzoeken en bestuderen daarvan voerde haar terug naar een bepaalde vorm van religieus beleven. In het werken aan haar boeken en de research voor documentaires hervond ze de deugd van de lectio divina, het lezend becontempleren van het goddelijke.
Heel wat grensgangers zullen Armstrongs ervaring herkennen. Zij beleven hun momenten van openbaring voor een belangrijk deel aan de keukentafel of in het leesfauteuil. Het heilige toont zich in de vluchtige seconden waarin het vertrouwde een nieuwe of andere betekenis krijgt, waarin een goed gekozen metafoor of een treffende zegswijze een innerlijke verschuiving teweeg brengt. Franz Kafka definieerde schrijven als 'een vorm van gebed', Lucebert onderging het schrijven aan zijn gedichten als een 'storm van driftig bidden' - en zo is ook voor ons, hun aandachtige luisteraars, het lezen een soort van bidden: een daad van toewijding en ontvankelijkheid.
Daarin verschillen we niet wezenlijk van agnosten en atheïsten, met hun soms aan devotie grenzende eerbied voor literatuur en poëzie. We geloven allemaal in literatuur en kunst als de plaatsen waar ons ego uit zijn hengsels wordt gelicht en ons bestaan onder stroom wordt gezet of, anders gezegd, waar stenen vloeibaar worden en de rivieren naar de bergen stromen. In die zin zijn we allemaal literatuur-gelovigen.
Taal
Maar voor mensen met een christelijke achtergrond komt er iets bij. Voor hen is een deel van de westerse canon zelf al heilig - en zelfs voor wie moeite
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.