*

 

Sybilla Dekker / Visie is meer dan alleen schoonheid

door Sybilla Dekker − 31/03/06, 20:24

In ons kleine land is ruimtelijke ordening een kwestie van slim afwegen van belangen. De schaarse ruimte is te kostbaar om te bouwen voor leegstand.

De discussie over de ruimtelijke ontwikkeling van ons land maakt heftige emoties los. Over één ding is iedereen het echter eens –we willen wonen, werken en recreëren in een mooi Nederland. Aan aansprekende plannen geen gebrek. De vraag is alleen hoe we de stap kunnen zetten van droom naar daad. Hoe brengen we plannen, budgetten en partijen bij elkaar?

Eerder (Trouw, 14 maart) vroeg PvdA-kamerlid Co Verdaas het ’rijk om meer visie en regie over hoe Nederland mooier kan worden. Visie, visie, visie –Verdaas herhaalde deze woorden als een mantra, zonder er zelf één te geven. Vervolgens wees VVD-kamerlid Janmarc Lenards (Trouw, 29 maart) alle Haagse staatsbemoeienis af en stelde dat op vrijkomende landbouwgrond vanzelf mooie stadslandschappen ontstaan.

We kunnen lang twisten over wat mooi is of lelijk, of over hoe vol ons land is. Een interessante bezigheid, maar het zet geen zoden aan de dijk. Er is geen concreet beleid tegen lelijkheid. Waar het om gaat is dat burgers, bestuurders en bedrijven in heel het land de handen ineen slaan om hun eigen steden en regio’s –die zij als geen ander kennen– op een verantwoorde wijze te ontwikkelen. Overwegingen van esthetische aard horen daar zéker bij. Ook daar moeten burgers, bestuurders en bedrijven elkaar op durven aanspreken. De vraag is hoe je dit organiseert. De ervaring leert dat visies die ’van onderop’ komen, het meest levensvatbaar zijn.

Wie de publieke zaak wil dienen, moet verder kijken dan de publieke kas. Verdaas laat dat na. Particulier initiatief en kapitaal? Het is tevergeefs zoeken in het stuk van Verdaas. Alles wat ’verrommelt’, is te wijten aan het rijk, punt uit. Het is alsof Jan Pronk weer driftig aan het dirigeren wil slaan vanuit Den Haag.

Als alle problemen ’van boven’ komen, dan komt ook alle heil uit ’Den Haag’. Exit de inbreng van actief meedenkende burgers. Vaarwel de expertise van plaatselijke bestuurders en bedrijven. En dat terwijl het aan particulier initiatief te danken is dat Groningen verrijkt wordt met de Blauwe Stad.

In zijn afkeer van centralisme schiet Lenards door naar de andere kant. Alsof vanzelf ’mooie stadslandschappen’ ontstaan, wanneer we klakkeloos doen wat ’de burger’ vraagt. Maar ook vrijheid moet je organiseren. Individuele belangen botsen met het collectieve belang. De lange adem legt het soms af tegen de korte termijn.

Ruimtelijke ontwikkeling in een klein land als Nederland vraagt om het slim afwegen van functies en belangen. Waar komt ruimte voor water? Welke plek krijgt mobiliteit? Welke mix aan woningen komt er? Hoe beschermen we die tegen geluid- en stankoverlast? Rijk, provincies en gemeenten zullen daar hard aan moeten werken, samen met burgers en bedrijven. De tijd van centralistische blauwdrukken is voorgoed voorbij.

Het komt nu aan op lokaal en regionaal maatwerk. Op provincies, gemeenten en direct betrokkenen die de vrijheid nemen om hun eigen steden en regio’s te ontwikkelen op een manier die bij ze past. Het rijk stelt kaders, schept een klimaat van vertrouwen en brengt waar mogelijk partijen bij elkaar. Daarbij eisen we van lokale bestuurders en private partijen dat ze hun plannen goed doordenken, met oog voor de lange termijn. Met gevoel voor evenwicht tussen economische impuls en behoud van groen en open ruimte. De schaarse ruimte van ons land is te kostbaar om te bouwen voor leegstand.

In plaats van een van bovenaf opgelegde compositie wordt Nederland een mozaïek waarvan het beeld ter plekke wordt bepaald. Neem de IJsseldelta bij Kampen. Provincie en regio hebben daar een huzarenstukje geleverd. Verbreding van de IJssel, aanleg van een spoorlijn, stadsuitbreiding en wegen –en dat in een nationaal landschap!

We nemen dus afscheid van ruimtelijke ordening en werken aan een nieuw soort praktijk, die uitgaat van ontwikkeling en kansen in plaats van bij de problemen stil te blijven staan. Een praktijk ook die ruim baan maakt voor lokale spelers en hun creativiteit: ’gebiedsontwikkeling’ en ’ontwikkelingsplanologie’.

Hoe laat je een visie van het rijk op hoofdlijnen aansluiten op regionale vrijheid? Wie is daarbij verantwoordelijk voor wat? En, het meest belangrijk, wie zorgt dat de plannen ook echt worden uitgevoerd? De Nota Ruimte zet de grote lijnen uit, maar vormt slechts het vertrekpunt en niet het eindstation.

Wat we nu moeten uitvinden is hoe we de stap zetten van droom naar daad. Hoe we globale visies kunnen verbinden aan concrete projecten en aan budgetten. Hoe zetten we het beschikbare geld zó in dat dit het meest effectief bijdraagt aan een mooier Nederland? Visies en plannen zijn noodzakelijk, maar niet voldoende. Cruciaal is dat we de complete gereedschapskist inzetten: visies, projecten, partijen en bijbehorende ruimtelijke investeringen. Wie hoest dat geld op? Eerst zijn private investeerders aan zet, gevolgd door lokale en regionale overheden. Het rijk komt daarna; centraal als het moet.

Het rijk concentreert zich daarbij op complexe projecten die van groot belang zijn voor de internationale concurrentiepositie van ons land. Denk maar aan de investeringen in de belangrijkste sleutelprojecten, zoals de Kop van Zuid in Rotterdam, het Ceramique-terrein in Maastricht, of de omgeving van hsl-stations in Utrecht en Den Haag. Zulke projecten komen alleen van de grond als het rijk extra bijdraagt. Die rijksbijdrage fungeert als startkapitaal én als keurmerk, en trekt bovendien andere partijen over de streep.

Tot nu toe waren dergelijke investeringen sterk afhankelijk van de aardgasbaten. Maar investeringen op de lange termijn vragen om een structureel budget. Bestuurders en bedrijven moeten weten waar ze aan toe zijn. Dat is een kwestie van vertrouwen.

Vertrouwen vormt sowieso de basis waarop we moeten bouwen aan een mooi Nederland als mozaïek. Ik ga er bijvoorbeeld niet over of de toren van Belle van Zuylen bij Utrecht mooi is of niet. Waar ik wel over ga is de vraag of we daar met zijn allen goed over hebben gesproken. Of we de nodige visie hebben gekoppeld aan speelruimte voor plaatselijke partijen.

Waar die visie ontbreekt, is chaos het resultaat. Waar die speelruimte slinkt, heerst de orde van het tuchthuis. Maar waar visie en speelruimte elkaar ontmoeten, komt een mooier Nederland binnen handbereik.

Sybilla Dekker (VVD) is minister van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer.

mailIcon print |