Veertien dagen geleden gaf de Utrechtse socioloog Henk Becker in de Verdieping een beschouwing over het lot van de zogeheten verloren generatie in de Nederlandse politiek. Onder de verloren generatie rangschikt Becker degenen die ongeveer in de periode 1955–1970 werden geboren en vaak getroffen werden door de zwaarste economische crisis sinds de Tweede Wereldoorlog.
Hun leeftijd maakte hen tot pechvogels. De leden van deze generatie hadden namelijk vijf keer zoveel kans werkloos te worden als de voorafgaande, de babyboomgeneratie. Een klein deel heeft nog steeds geen baan, of is op een laag niveau blijven steken. Het gros is uiteindelijk geslaagd maar zal wel levenslang moeten opkomen voor de vergrijzingskosten van de babyboomers. Maar ze doen daar niet moeilijk over want het zijn pragmatische mensen.
Het is een redelijk plausibel verhaal dat extra overtuigingskracht ontleent aan het feit dat Becker al vele jaren intensief studie maakt van generaties en dus weet waarover hij praat. De algemene beweringen in zijn betoog zullen wel op empirisch materiaal zijn te stoelen.
Helaas gaat hij vervolgens in de fout door als bewijs van zijn theorie een vijftal politici te bespreken, allen van rond de veertig jaar en dus behorend tot de verloren generatie, die inmiddels partijleiders zijn (Wouter Bos, Femke Halsema en André Rouvoet) of een goede kans maken als zodanig te worden gekozen (Mark Rutte en Lousewies van der Laan).
Beckers redenering is in twee opzichten bestrijdbaar. In de eerste plaats meent hij uit de kenmerken van een generatie de lotgevallen van enkele personen te kunnen verklaren. Dat is als zodanig al een waagstuk maar het gaat helemaal mis indien die personen tot een elite behoren, in dit geval de Nederlandse politieke elite.
Naar mijn mening is het onwaarschijnlijk dat bijzonder getalenteerde individuen in hun loopbaan gelijkgesteld kunnen worden aan het doorsnee generatielid. Al zijn de omstandigheden nog zo beroerd, wie over uitzonderlijke capaciteiten beschikt, zal het doorgaans best rooien.
Zoals in een ingezonden brief al werd opgemerkt, ondergraaft Becker met het opvoeren van deze vijf politici zijn eigen stellingen. Ik noem wat feiten. Wouter Bos kreeg na zijn studie onmiddellijk een fraaie baan bij Shell. Hij stapte over naar de politiek en werd vrij snel leider van de PvdA, met het huidige vooruitzicht volgend jaar als premier te gaan fungeren.
Mark Rutte deed zeven jaar over zijn studie geschiedenis (weinig gevoel voor urgentie dus), kreeg een baan bij Unilever, werd bij overgang naar de politiek meteen staatssecretaris en staat all vier jaar later in de startblokken om VVD-voorman te worden.
Om het verhaal niet te lang te maken: Rouvoet was nooit werkloos, Van der Laan vroeg op zeker moment een uitkering aan maar had die niet nodig, terwijl Halsema haar studie afrondde met een halfjaar een bijstandsuitkering waarna ze meteen bij haar eigen universiteit aan de bak kwam. Als dit Beckers 'pechvogels' zijn, vraag ik mij af wat hij onder geluksvogels verstaat. Zet komend premier Bos eens naast vroegere premiers zoals Drees, Den Uyl, Lubbers en Kok en het wordt duidelijk dat vroeger een heel wat langere aanloop en veel meer politieke ervaring nodig was om voor het hoogste ambt in aanmerking te komen. Wouter Bos komt nog maar net kijken.
Becker heeft echter nog een andere vergissing begaan. De verloren generatie werd getroffen door een economische depressie terwijl degenen die hij ten tonele voert, op hun huidige plaats kwamen als gevolg van een politieke trendbreuk. In 2002 ging het tweede paarse kabinet reddeloos ten onder, zette Pim Fortuyn het land op zijn kop en trad een hele nieuwe generatie van politiek personeel aan. Ook de Kamer zit momenteel vol met mensen die het geluk hadden plotseling opengevallen plaatsen aan te treffen.
We hebben, met andere woorden, met twee circuits te maken die goed uit elkaar moeten worden gehouden: de arbeidsmarkt in algemene zin en de doorstroming (of stagnatie) in de politieke arena. Om een historisch voorbeeld te nemen: de sociaal-democraten die na de oorlog op hoge politieke functies en later in tal van bestuurlijk en ambtelijke banen terechtkwamen, dankten hun fortuin aan het salonfühig worden van hun voorheen lange tijd onaanvaardbaar geachte politieke overtuiging. Met het einde van de diepe economische depressie in de jaren dertig had deze invasie van nieuwkomers niets te maken.
Iets dergelijks geldt voor de babyboomers of, in de woorden van Becker, de protestgeneratie, geboren rond 1945–1955. De leden van deze generatie kwamen niet zo gerieflijk aan bod doordat het Nederland economisch voor de wind ging maar doordat ze, ook internationaal trouwens, een links-radicaal alternatief aan het electoraat wisten te verkopen. Tien jaar na hun optreden in het mythische jaar 1968 ging het met de economie bar slecht maar de nieuwkomers hadden zich inmiddels stevig gevestigd en waren lange tijd met geen stok uit hun behaaglijke posities te jagen.
Kortom, het generatiebegrip is een nuttig instrument om historische discontïnuiteit te analyseren maar het moet wel gedifferentieerd worden gebruikt. Anders komt bofkont Wouter Bos als pechvogel te boek te staan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.