De Nederlandse bisschoppen morrelen aan de bewegingsruimte van pastoraal werkers. Roel Braakhuis, voorzitter van de Vereniging voor Pastoraal Werkenden, signaleert een nieuwe kerkelijke polarisatie.
Hij is al ruim twintig jaar pastoraal werker, en in die periode werd zijn relatief jonge beroep binnen de Nederlandse kerkprovincie alleen maar relevanter.
Toch is Roel Braakhuis niet enthousiast over het heersende klimaat in zijn kerk. „We zijn officieel erkend, maar de regels over onze bevoegdheden worden de laatste tijd flink aangescherpt”, zegt hij.
Het almaar groeiende priestertekort en de toename van het aantal pastoraal werkers heeft tot gevolg dat de laatsten een steeds groter deel van het kerkelijk werk verzetten. Dat blijft niet beperkt tot het pastoraat. Ook in katholieke vieringen gaat steeds vaker een pastoraal werker voor.
Vorige week berichtte Trouw over de snelle toename van deze alternatieve vieringen, en de maatregelen die verschillende bisdommen daartegen nemen. De bisschoppen zijn bang dat deze woord- en communiediensten te zeer ingeburgerd raken als alternatief voor de ’echte’ eucharistieviering (waarin alleen een priester kan voorgaan). De gelovigen zouden op den duur het verschil niet meer zien.
Sinds twee jaar is Roel Braakhuis (50) voorzitter van de landelijke Federatie VPW (Vereniging voor Pastoraal Werkenden). Zijn vereniging wil de belangen behartigen van álle kerkelijke werkers: eenderde van de circa duizend leden is priester, de rest is pastoraal werker.
Wie lid wordt, neemt daarmee haast politiek stelling, want de VPW is vanaf het begin omstreden geweest. Braakhuis: „Onze vereniging richt zich op professionalisering, we willen ons vak zo goed mogelijk uitoefenen. Sommige bisschoppen vinden dat te ver gaan; ze achten het onacceptabel dat kerkelijke werkers zich in georganiseerd verband op hun beleidsterrein begeven. Dat was de teneur rond de oprichting, begin jaren tachtig. De laatste jaren verliep de communicatie stukken beter, maar tot mijn schrik komt onze relatie met de kerkleiding nu weer onder druk te staan.”
Hoe staat uw vereniging tegenover het ’ontmoedigingsbeleid’ dat bisdommen als Haarlem en Roermond voeren ten aanzien van woord- en communievieringen?
„Uiteraard hechten wij net als de bisschoppen zeer aan de eucharistie. Maar daarmee hoef je niet tegen woord- en communievieringen te zijn.
Het aanbod van vieringen in een parochie moet aansluiten op de vraag. Neem een parochie waar een grote groep ouderen wekelijks op zaterdagavond naar een woord- en communieviering komt, omdat de eucharistieviering op zondag praktisch onhaalbaar voor ze is; de thuiszorg wil hen op zondagochtend niet zo vroeg uit bed halen. Moet het alternatief van zaterdagavond dan geschrapt worden, omwille van het beleid? Dat lijkt me onredelijk.
Een beleid dat gericht is op het terugdringen van ’alternatieve’ vieringen – zonder rekening te houden met dit soort lokale situaties – deugt volgens mij niet. Bovendien is het geen realistisch doel. Een groot deel van de eucharistievieringen wordt nu nog gedaan door priesters die eigenlijk al met emeritaat zijn. Dat houdt een keer op. Er zal steeds minder eucharistie gevierd worden, dus zullen er ook meer alternatieve vieringen komen.”
Waaraan merkt u verder dat de ruimte van pastoraal werkers wordt ingeperkt?
„Een voorbeeld uit het bisdom Utrecht. Eind januari heeft het bisdom twee maatregelen aangekondigd. Parochies moeten streven naar één viering per weekend, en dat moet in principe een eucharistieviering zijn. En als een pastoraal werker in zo’n viering de priester assisteert, is het niet de bedoeling dat hij of zij de overweging verzorgt. De priester dient de preek te houden.”
Dat lijkt me geen grote inperking.
„Op het eerste gezicht is het dat ook niet. Het zijn zelfs geen nieuwe regels, deze richtlijn bestond al. Alleen is hij nu opnieuw nadrukkelijk onder de aandacht gebracht, en vergaderen pastores op dit moment over de vraag hoe ze hem moeten interpreteren.
In de praktijk betekent het een enorme stap terug. Het is namelijk heel gebruikelijk dat pastoraal werkers die actief zijn in een parochie, ook een wezenlijke taak vervullen in de zondagse mis. Denk aan een parochie waar de gepensioneerde priester op zondag voorgaat in de eucharistie, waarbij de pastoraal werker de preek verzorgt. Die werkwijze acht het bisdom niet langer wenselijk. Als er aan de ene kant minder woord- en communieviering gehouden zullen worden, en aan de andere kant de rol van de pastoraal werker in een eucharistieviering beperkt wordt, blijft er voor hem of haar bar weinig over rond het altaar.
Het bisdom Utrecht maakt nu het meeste werk van deze maatregelen, maar het valt te verwachten dat andere bisdommen volgen. Het past in een lijn van het terugbrengen van onze bewegingsvrijheid. Ook de doopbevoegdheid, waarmee ooit zeer ruimhartig werd omgesprongen, is tegenwoordig weer bijna uitsluitend voorbehouden aan priesters. Een pastoraal werker die nu benoemd wordt, mag niet dopen.”
De pastoraal werker kan zich dan in elk geval volledig richten het verlenen van pastorale zorg.
„Dat is waar, dat doen we ook. Maar pastoraat en liturgie horen in onze ogen bij elkaar. Het is voor een actieve pastoraal werker heel belangrijk om ook tijdens de vieringen in het weekend zichtbaar te zijn, zodat je een herkenbaar gezicht bent in je parochie.”
Hoe reageren uw vakgenoten op deze ontwikkelingen?
„Velen reageren nuchter, in de trant van: als ergens een deur dichtgaat, zet God wel ergens anders een raam open. Je zucht een keer diep, en je gaat verder. Natuurlijk doet het zeer, maar er is nog meer te doen.”
Is dat zwaar?
„Het is weleens moeilijk om onverdroten over de God van liefde te spreken, als dit soort zaken door je hoofd spelen. Het zou helpen als de goede verhoudingen die er formeel zijn, ook daadwerkelijk tot uitdrukking zouden komen in vertrouwen van de kerkleiding. Dat gebeurt niet. Steeds weer worden wij neergezet als mensen die dingen doen die eigenlijk niet mogen. Helaas gaat het daarbij uitsluitend over de vorm, en zelden over de inhoud van het geloof. Ongewild blijft men over ons struikelen.
Minstens zo kwalijk vind ik de soms nogal harde omgang met ’echte’ leken, vrijwilligers die actief zijn in de kerk, met verschillende opleiding of toerusting. In sommige parochies krijgen zij te horen: ’Bedankt voor uw inzet, maar het is vanaf nu niet meer nodig’.
De kerk zou volgens mij heel zuinig moeten zijn op wat er aan geloof leeft. Wij professionele werkers zijn wel wat gewend, wij kunnen tegen een stootje. Maar als vrijwilligers te horen krijgen dat hun bijdrage niet meer welkom is, verlaten ze de kerk, met in hun kielzog de mensen die het ook niet met zo’n besluit eens zijn.”
Het lijkt wel alsof de tegenstellingen binnen de rk kerk, die in de jaren tachtig zo sterk gevoeld werden, weer een grotere rol beginnen te spelen.
„De polarisatie was tot een halfjaar geleden weg, maar nu is zij terug. Ik merk het aan de manier waarop wij als vereniging worden behandeld.
Dit keer komt het aanscherpen van tegenstellingen niet van de progressieve beweging die de clerus uitdaagt, zoals destijds de Acht Mei Beweging. Het werkt nu andersom: de bisschoppen zetten de puntjes op de i. Dat wekt bij ons een gevoel van miskenning, maar pastoraal werkers houden zich meestal stil.
Jonge priesters en conservatieve rechtse krachten nemen kennelijk steeds steviger het heft in handen. Ik zie de laatste pauselijke richtlijn over de eucharistie als katalysator daarvoor, dat document begint nu door te werken. De ontwikkeling is onmiskenbaar, al vindt ze plaats langs ondoorgrondelijke wegen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.