*

 

Pastorale opera van Strauss tussen bèh en boe

Anthony Fiumara − 01/12/07, 02:28

Opera

De Nederlandse Opera met ’Daphne’ van Richard Strauss op 29/11 in Muziektheater, Amsterdam; t/m 29/12.

Het is 1937. De wereld staat op instorten. Richard Strauss peinst – net de Olympische hymne van 1936 gecomponeerd – over natuurmeisjes en bomen in het maanlicht van een arcadisch Griekenland. „Alleen met orkest!”, schrijft hij over de slotscène. „Daphne spreekt nog enkele woorden, die dan stamelend in woordloze melodie overgaan!”

Het is jaren later. Je heet Peter Konwitschny. Je bent een Duitse regisseur en belast met een erfzonde, dus je kunt Strauss’ ’Daphne’ niet brengen als een heerlijk avondje. Er moet een boodschap in; iets met nazi’s. Want dat woordloze staat voor Strauss’ eigen politieke stilzwijgen.

De herders in het oude Griekenland verander je daarom in een feestvierende bende losbollen in schaapskleren: „bèh!”, roept die zuipende en kruipende kudde dronkelappen-in-smoking-en-schaapsvel; de arme Daphne wordt twee keer van achter genomen en haar vriend Leukippos verandert van een hitsige blokfluitmeester in een drag queen.

Konwitschny’s satirische regie – een herneming van zijn Essense productie uit 1999 – was donderdag nog steeds overtuigend. De boom die natuurminnares Daphne bezong was een bordkartonnen speelgoedding: treffender kon de regisseur haar meisjesachtige onschuld niet verbeelden. De herdersweide van Strauss was een neoclassicistische kamer waaruit geen ontsnappen mogelijk was. En intussen waggelde de hele cast om Daphne heen en probeerde haar over te halen om net zo dronken en bronstig te worden.

Konwitschny is de eerste die toe zal geven dat Strauss ’Daphne’ niet als schapenneukersopera bedoeld had. Maar hij wilde dan ook eerder sociale fenomenen aan de kaak stellen dan een psychologisch proces blootleggen. Dat het toneelbeeld de weelderige muziek donderdag vaak tegenwerkte, leek hem niet te deren.

Over weelderig gesproken: het Nederlands Philharmonisch Orkest onder Ingo Metzmacher begon de voorstelling voortvarend. Gaandeweg werd het minder, alsof de musici moe werden van het surfen over Strauss’ golven: rafelige inzetten, wankel geïntoneerde akkoorden en jammer genoeg een weinig betoverende maanmuziek aan het eind.

Naast de uitstekend gezongen en geacteerde Gaea (Birgit Remmert) kregen eigenlijk alleen de drie hoofdrollen groot applaus. Rainer Trost (Leukippos) en Scott MacAllister (Apollo) waren een genot voor oog en oor: MacAllister zong zijn veeleisend hoge tenorpartij zelfs met een zeker gemak. Echte ster was de Colombiaans-Duitse sopraan Juanita Lascarro, die haar titelrol precies de warmte en naïviteit gaf die Strauss bedoeld had.

Na het terzet van de laatste drie deed Konwitschny zijn regie kantelen met enorme cesuren. Terwijl Daphne op een stellage stond en langzaam opging in de projectie van een arcadische boom, verschenen er foto’s uit de nazitijd op datzelfde doek. En dat werkte toch nog aangrijpend.

Op de dromerige maanmuziek verscheen als laatste de kop van Strauss, die met schaapachtige blik de camera in keek. Het was duidelijk, te duidelijk. Bèèh, dacht ik even. Boe, riep een deel van het publiek bij Konwitschny’s opkomst.

mailIcon print |