*

 

Ze volgen hun hart, bij alles wat ze doen

Janne Chaudron − 29/12/07, 02:28

Trouw volgde een jaar lang zes laagopgeleide jongeren. Vier van hen zijn nog steeds op zoek naar gepast werk of een geschikte opleiding, ondanks de goedbedoelde inspanningen van hun professionele begeleiders. Laatste deel van een serie.

De mbo-opleiding forensisch onderzoek is vanwege de televisieserie ’Crime Scene Investigation’ (CSI) ongekend populair onder laagopgeleide jongeren. Ze willen een beroep dat in de mode is, maar missen daardoor vaak de aansluiting op de arbeidsmarkt.

Trouw volgt sinds een jaar zes van deze jongeren om te onderzoeken welke eisen zij stellen aan hun toekomstige baan. Waarom kiezen laagopgeleide jongeren bepaalde beroepen? Door wie laten ze zich leiden in hun beroepskeuze: ouders, vrienden, docenten?

Zohra, Joao, Joey, Niek, Jessica en Ruben werden niet zomaar geselecteerd. Ze zijn zeer verschillend, om hun achtergrond en om de regio in Nederland waar ze opgroeiden. Joey bijvoorbeeld is een echte Limburger, Zohra groeide op in Amsterdam. Wat hebben deze jongeren in een jaar tijd bereikt?

Het vraagt veel doorzettingsvermogen om deze zes laagopgeleide jongeren intensief te volgen. Ze nemen hun telefoon vaker niet op dan wel, en voicemailberichten lijken nooit aan te komen. Ook wisselen ze geregeld van telefoonnummer vanwege een nieuw model mobieltje of simpelweg omdat de telefoon werd gestolen. Dan zijn ze voor onbepaalde tijd onvindbaar. Gelukkig biedt de begeleider in zo’n geval uitkomst.

Heb je het vertrouwen van de jongeren eenmaal gewonnen, dan zijn ze ontzettend openhartig en nemen nooit een blad voor de mond. Ze volgen hun hart, bij alles wat ze doen.

Soms brengt hen dat in moeilijke situaties. De jonge moeder Zohra Aztout bijvoorbeeld, die via het jongerenloket Amsterdam Nieuw-West een traject voor jonge moeders volgde, wist zeker dat ze kraamverzorgster wilde worden. Dat was haar droom. Ze bezocht open dagen en verdiepte zich in het vak.

Haar begeleidster Ingrid de Vries zette meermaals vraagtekens bij de keuze van Zohra. Ze vroeg zich af of Zohra het beroep kraamverzorgster, waarbij je vaak ’s nachts wordt opgeroepen, kon combineren met de zorg voor haar dochter. Met moeite praatte ze Zohra haar ambitie uit het hoofd. De Vries hield Zohra telkens een spiegel voor, tot ze ervan doordrongen was dat de combinatie kraamverzorgster-jonge moeder een slechte is.

Laagopgeleide jongeren volgen duidelijk hun hart bij de keuze voor bepaalde beroepen. Andere factoren doen er minder toe. Ze stellen zich niet de vraag of ze met hun opleiding ook werk kunnen vinden. Zo is de kappersbranche erg populair onder laagopgeleide meisjes. In de afgelopen vijf jaar steeg het aantal aanmeldingen voor de kappersopleiding met maar liefst 40 procent, tot 11.000 scholieren. Waarschijnlijk is er straks voor de helft van deze scholieren geen werk.

Het volgen van je hart kan echter ook positief uitpakken. Niek Damen (22) uit Arnhem heeft altijd geweten dat hij met zijn handen wilde werken. Niek vindt zijn werk bij een metaalfabriek in Baak elke dag weer een uitdaging. Hij heeft duidelijk zijn plek gevonden, hoewel de metaalsector niet populair is binnen zijn groep. Voor Niek een geluk, want daardoor is er genoeg werk in deze sector.

Het ’succesverhaal’ Niek vormt een uitzondering. De zes jongeren een jaar lang begeleiden, leverde meer missers dan successen op. Hoewel sommigen expliciet voor een bepaald beroep kozen, is de arbeidsmarkt voor hen maar moeilijk toegankelijk. Zo weet Jessica Bakker (17) uit Leeuwarden dat ze kok wil worden, maar heeft ze de grootste moeite om een geschikte leerwerkplek te vinden. Ruben den Hamer uit Geldermalsen heeft zich, na vele omzwervingen, ingeschreven voor de opleiding Kunst, Cultuur en Media. De vraag blijft of hij het volhoudt. En Zohra is bezweken onder de combinatie opvoeden en werken. Ze zit om die reden voorlopig ziek thuis, hoewel ze min of meer heeft besloten dat ze met gehandicapten wil gaan werken. Joao Garciano is een verhaal apart. Hij is nooit komen opdagen bij zijn werkgever en niemand weet waar hij uithangt.

Voor dit soort jongeren is begeleiding essentieel. Op jonge leeftijd moeten ze ingrijpende keuzes maken, maar in hun opvoeding ontbeerden ze de structuur om voor zichzelf vast te stellen wat ze willen en kunnen.

De begeleiders hebben zich gedurende het jaar met veel energie ingezet voor de jongeren. Marten Plantinga, die Jessica Bakker begeleidt, bleef zich over haar ontfermen, zelfs nadat hij ontslag had genomen bij het regionaal ontwikkelingscentrum Friese Poort. Hij zoekt niet alleen mee naar een passende leerwerkplek, maar helpt ook met sollicitaties, zorgt ervoor dat ze op tijd op afspraken verschijnt en houdt contact met alle instanties waar Jessica mee te maken heeft. Dat zijn onder meer jeugdzorg, coaches van begeleid kamerwonen en leraren op de koksopleiding. Zo behoudt Plantinga het overzicht. „Het draait om Jessica”, benadrukt hij steeds.

Ook Ingrid de Vries, de begeleidster van Zohra Aztout, geeft nooit op. Ze blijft de jonge moeder vragen of haar keuzes realistisch zijn. Tessa Quakernaat en Hans de Boer hebben Ruben den Hamer zeer intensief begeleid. Zij motiveerden Ruben om een netwerk op te bouwen als hij in de wereld van de kunst, cultuur en media aan de slag wilde.

De jongeren centraal stellen lijkt logisch, maar kost enorm veel energie. Bij Plantinga waren de jongeren om twaalf uur ’s nachts nog welkom, maar daarbij kreeg hij lang niet altijd de noodzakelijke ruggesteun van de instanties. Die worden namelijk in hoge mate gestuurd door het subsidiestelsel. Er zijn budgetten voor bepaalde projecten. Is het geld op, dan stopt het project. Netwerken zijn in zo’n systeem niet van belang, omdat onderwijsinstellingen weten dat ze het geld toch wel krijgen. Maar juist bij probleemjongeren zijn zulke netwerken essentieel.

Volgens de begeleiders lijdt deze groep jongeren ook onder de scoringsdrift van politici, onderwijsinstellingen en gemeenten. Zij zetten projecten op in de hoop ermee op te vallen, zodat ze nieuwe subsidiestromen kunnen aanboren. Zo komt de jongere vaak op de tweede plaats.

Maar ook ouders laten het vaak afweten. Bij Jessica thuis mocht alles. Ze werd weinig gecorrigeerd en hoorde nooit: ga eens aan je huiswerk. Daarom kwam ze afspraken niet na en leerde ze niet dat werkgevers dat niet pikken. Bij Joao ontbrak het volledig aan structuur. Zijn ouders hadden zelf al moeite om de rekeningen op tijd te betalen en kampten voortdurend met enorme schulden. Zo konden ze hun zoon ook niet stimuleren om een opleiding te volgen die bij hem paste.

Ruben lijkt de uitzondering op deze regel. Zijn ouders hebben hem enorm gestimuleerd. Zijn moeder zei: „We hebben zo vaak aan hem gevraagd: wat wil je? Maar als hij dan aan iets begon, stopte hij na een paar weken.” Zijn ouders werden er moedeloos van. Ruben had de pech dat hij ’verkeerde vrienden’ had, aan wie hij zich optrok. Bovendien, zo gaf hij zelf te kennen, voelde hij zich af en toe het zwarte schaap van de familie. Zijn oudere broers hadden beiden het vwo afgerond en studeerden. Bij Ruben zat dat er niet in.

Ook de kennismaatschappij werkt niet in het voordeel van deze jongeren. Multinationals, banken en ICT-bedrijven zitten te springen om hoogopgeleiden. Laagopgeleide jongeren zijn in die sectoren kansloos. Hoewel: voor Niek en Joey, die bij Essent als elektromonteur werkt, is de situatie redelijk rooskleurig. De sectoren metaal en techniek kunnen goed arbeidskrachten gebruiken.

Maar voor Zohra, Jessica en Ruben blijft het tobben. Jessica is daar het ultieme voorbeeld van. Eén keer is haar proefcontract niet verlengd, twee keer is ze afgewezen. Zij moet er nog keihard voor knokken.

mailIcon print |