Wat doen scholen zelf met hun eigen rapportcijfer, nu dit al tien jaar openbaar is? Voorzichtig aan docententeams voorleggen, zeggen rectoren.
’De cijfers zijn slecht, dat is klip en klaar.” Freek op ’t Einde, directeur van de Roland Holstschool in Bergen, draait er niet omheen. Zijn vwo-afdeling komt als een van de slechtste uit het jaarlijkse overzicht van Schoolprestaties.
En Van ’t Einde geeft toe: dat moet beter. „We nemen deze cijfers serieus. Absoluut.”
Dat is wel eens anders geweest, aan de school van Op ’t Einde, maar ook aan veel andere scholen in het voortgezet onderwijs. Het is inmiddels tien jaar geleden dat Trouw voor het eerst met Schoolprestaties kwam, en het heeft enige tijd geduurd voordat scholen aan het cijferwerk dat erachter zit gewend waren.
De scholen met de hoogste scores hadden uiteraard weinig te klagen. Maar wie minder goed uit de bus kwam, had steevast forse kritiek op de aanpak van deze krant. De cijfers klopten niet, de methode was ondeugdelijk, de resultaten vertelden niets over de goede sfeer op school enzovoorts enzovoorts.
Dat is veranderd. Ook nu heeft de Roland Holstschool wel wat aan te merken op de resultaten. Het is een zogeheten Vrije School, dat wil zeggen dat ze uitgaat van antroposofische beginselen.
De bijzondere aanpak van de school vertaalt zich in slechtere cijfers, bijvoorbeeld als het gaat om het aantal zittenblijvers. „Wij geven ook twijfelgevallen een kans op het vwo”, zegt Op ’t Einde. Maar de directeur wil zich daar niet achter verschuilen. „We trekken ons de kritiek aan.”
Ook elders is de opwinding over de cijfers de laatste jaren weggeëbd. „Eén cijfer is voor scholen heel belangrijk: het leerlingenaantal”, zegt Kees Horsman uit ervaring. Hij werkt voor Q5, een project dat scholen helpt hun kwaliteit in de gaten te houden.
„De scores in Schoolprestaties hebben weinig invloed op de toestroom van nieuwe leerlingen,” zegt Horsman.
„Alleen heel goede of heel slechte scores hebben enig effect op deze toestroom. Dat weten scholen inmiddels, en dus maken ze zich niet meer zo druk om dit soort cijfers.”
Maar dat is niet de enige reden dat het rumoer over de cijfers goeddeels verdwenen is. Een andere, misschien wel belangrijker reden is dat scholen zelf meer waarde zijn gaan hechten aan zulke cijfers.
In plaats van ze te betwisten, gebruiken ze de cijfers om hun kwaliteit te bewaken en te verbeteren. Niet alleen de cijfers van de onderwijsinspectie trouwens (waarop Schoolprestaties is gebaseerd), maar ook gegevens die ze zelf verzamelen.
Kwaliteit uitdrukken in cijfers is voor de meeste schooldirecteuren heel gewoon geworden, vat Horsman samen. Ruim de helft van de scholen gebruikt tegenwoordig zelfs cijfers om de prestaties van (teams van) docenten in kaart te brengen, blijkt uit onderzoek. De scores van leerlingen bij het examen worden bijvoorbeeld in functioneringsgesprekken besproken.
Jawel, het woord ’afrekencultuur’ valt nog wel eens, zegt rector Liesbeth van Gils van het Calandlyceum in Amsterdam. „Maar eigenlijk is die discussie een beetje passé. Zeker, een goede sfeer is ook heel belangrijk. Maar meestal gaat dat samen met goede prestaties.”
Van Gils kijkt elk jaar opnieuw heel serieus naar de inspectiecijfers. „We zitten rond het gemiddelde, en daar zijn we niet tevreden over”, zegt ze.
Met die cijfers stapt de Amsterdamse rector ook naar de verschillende vaksecties, niet om hen te vertellen hoe ze die moeten opkrikken, wel om zicht te krijgen op de achtergrond ervan. „Zij zijn tenslotte de professionals.”
Ook rector Paul Scharff van de Rotterdamse scholengemeenschap Libanon noemt de cijfers van deze krant en de inspectie waardevol. Hij gebruikt ze om zijn leraren te ’prikkelen nog meer uit de leerlingen te halen’. „Als we volgend jaar ons gemiddeld eindexamencijfer op 6,3 brengen, worden we waarschijnlijk de beste school van Rotterdam”, zegt Scharff hoopvol.
De roem die dat oplevert, is vluchtig, weet Scharff, want toen zijn school een paar jaar geleden slecht scoorde, ’hoorde je daar na een week niemand meer over’. Belangrijker is het, zegt hij, om met cijfers te kunnen aantonen wat er fout gaat. Bijvoorbeeld bij zittenblijvers in de hoogste klassen. „Als je matige leerlingen toch op het vwo toelaat, vliegen ze je van pure vreugde om de hals. Maar uiteindelijk leidt dat tot frustratie, omdat deze leerlingen vaak blijven zitten. En dat zie je terug in de cijfers.”
Toch blijft de discussie doorgaan, niet zozeer over de vraag of schoolprestaties wel in cijfers zijn uit te drukken, maar meer over de vraag of de inspectie (en dus ook Trouw) wel de goede cijfers verzamelt.
De inspectie gaat er bijvoorbeeld van uit dat een school van elke leerling aan het eind van de tweede klas weet op welk niveau die thuishoort. Vanaf klas 3 moet daarom het gros van de leerlingen zonder te blijven zitten het eindexamen kunnen halen. Scholen waar veel leerlingen ook in klas 3 of hoger nog blijven zitten, staan er bij de inspectie (én in Schoolprestaties) slecht op.
Maar deze meetlat past niet bij het beleid van alle scholen. Er zijn er die zich ten doel stellen pas na de derde klas te bepalen op welk niveau hun leerlingen uiteindelijk hun examen zullen halen.
Het Amadeus Lyceum in Utrecht is zo’n school. „Wij willen die vaststelling van hun niveau juist zo lang mogelijk uitstellen”, zegt rector Jeanine Vlastuin. „Wat de inspectie meet is dus niet in overeenstemming met hoe wij werken.”
Toch verzet ook Vlastuin zich niet tegen de trend om prestaties aan cijfers af te meten. Het Amadeus heeft overigens wel last gehad van slechte publiciteit - veroorzaakt door het feit dat ook de prestaties van de voorganger van de school nog een paar jaar meetelden. Niet zo vreemd, dus, dat zij tenslotte verzucht: „We kunnen veel aan cijfers hebben. Maar moeten die ook in de krant?”
iMeer informatie op:www.trouw.nl/schoolprestaties© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.